Gisteren, vandaag en morgen (8-10 juni 2011) wordt op het hoofdkwartier van UNESCO in Parijs voor de 2e keer de EDUsummIT gehouden, de internationale top over ICT in het onderwijs. Aan de hand van het thema ‘Building a Global Community of Policy-Makers, Educators and Researchers to Move Education into the Digital Age’ bespreken 120 onderzoekers, beleidsmakers en onderwijsprofessionals uit vijf continenten de internationale agenda voor ICT in het onderwijs. Mijn collega Joke Voogt is medeoprichter en voorzitter van de EDUsummIT.
De EDUsummIT is een follow up van het mede door Joke geredigeerde International Handbook of Information Technology in Primary en Secondary Education (Springer, 2008) en heeft tot doel om de wisselwerking tussen onderzoek, beleid en praktijk op het terrein van ICT in het onderwijs te bevorderen. De eerste EDUsummIT (2009, Den Haag) resulteerde in een Call to Action die invloed heeft gehad op het National Educational Technology Plan van de VS.
Als je de EDusummit wil volgen dan kan dat via Twitter (#edusum11) en op verschillende blogs waar de tag "EduSummit2011" gebruikt zal worden.
Posts tonen met het label 21st century skills. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 21st century skills. Alle posts tonen
donderdag 9 juni 2011
dinsdag 8 maart 2011
SITE2011: 21st Century Skills (deel 4)
Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Joke geeft de vierde presentatie over "teaching and learning in the knowledge society, are teachers prepared to teach in the 21st century?". Joke gaat eerst in op wat "21st century skills" nu eigenlijk zijn en benadrukt dat het niet alleen digital literacy (leren om met technologie te werken) is, maar dat het ook (en misschien wel vooral) gaat om samenwerking, communicatie en burgerschap. Daarnaast zijn vaardigheden als kritisch nadenken, problemen oplossen, creativiteit en productiviteit. Joke heeft hier ook een presentatie over gegeven op de SURF Onderwijsdagen van 2010 en er is ook een video beschikbaar waarin zij het een en ander toelicht.
Ook interessant is het SITES onderzoek waar Joke aan deelnam en waarin onder andere een aantal "good practices" gedefinieerd zijn die ook echt een impact hebben gehad op de manier waar leraren lesgeven en op het leereffect bij de leerlingen. Uit dit onderzoek uit 2006 bleek dat de goede voorbeelden van didactisch ict gebruik leidt tot meer ict-vaardigheden bij leerlingen en tot meer kennis over het onderwerp, maar ook betere informatievaardigheden, zelfsturend leren en samenwerking. En: een grote groep leraren in de hele wereld probeert deze vaardigheden ook in hun onderwijs te integreren. Maar er zijn nog maar weinig voorbeelden te vinden van scholen waar de 21st centrury skills al in breed zijn geimplementeerd. En dat komt door "simpele redenen" als tijd, geld, etc., maar er bestaat het vermoeden dat de redenen ook liggen richting de houding van docenten ten aanzien van ict-gebruik, hun ict-vaardigheden en de beschikbaarheid tot de juiste middelen (daarover had ik deze week al eerder een bericht geplaatst).
Joke concludeert dat veel leraren al proberen om 21st century skills te integreren in het onderwijs. De leraren die daar frequent ict bij gebruiken zijn al een stap verder, hebben meer contact met andere leraren om ervaringen uit te wisselen en zijn "teacher leaders" die al meer weten, gewoon hun gang gaan en hun collega's ook (zouden kunnen) helpen om een stap verder te komen.
Joke eindigt haar presentate met de stelling dat als je wilt dat leraren in de 21e eeuw kunnen lesgeven, zij moeten beschikken over didactische ict-vaardigheden (TPACK), zij een positieve attitude ten aanzien van ict moeten hebben en dat ze initiatief en leiderschap moeten tonen. Actieve samenwerking met andere leraren binnen en buiten de eigen school is daarbij van groot belang.
SITE2011: 21st Century Skills (deel 3)
Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Niki geeft de derde presentatie. De titel is "leadership for online learning within & across secondary schools". Niki doet onderzoek in Nieuw Zeeland, Christchurch (ja, daar was de aardbeving) en een collega van haar heeft een artikel geschreven over het gebruik en het belang van sociale media na zoiets verschrikkelijks als een aardbeving. Daarover later hopelijk meer, want dat is een interessant verhaal geworden.
Niki vertelt op dit moment over haar onderzoek naar e-learning en blended learning. Dit fenomeen is nog steeds groeiende over de hele wereld, maar er is nog genoeg werk te doen om docenten daar goed voor toe te rusten. In Nieuw Zeeland zijn verschillende clusters te onderscheiden waar e-learning en blended learning plaatsvinden. Waar Niki op wijst is dat je niet zomaar aan blended learning kan gaan doen. Je kan niet van een goede docent eventjes een web-based docent maken. De aanpak in Nieuw Zeeland: een 21st century approach to e-learning. Belangrijk daarbij is dat je als docent weet wanneer je wel en niet ict moet gebruiken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 3 verschillende docenten:
- de e-teacher, de docent die alles online doet
- de m-teacher, de docent die een blended learning aanpak heeft
- de d-teacher: een "design teacher", een docent die materiaal en vakken ontwikkeld die geschikt zijn voor e-learning
- de traditionele "principal", de manager, verantwoordelijk voor leiderschap en management van de school
- de "e-principal" een mentor binnen de school die docenten begeleid op het vlak van (vak)didactisch ict-gebruik, een makelaar is tussen de docenten, maar ook tussen scholen om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren
- een "national facilitator", iemand die in een regio (en daarbuiten), informatie kan uitwisselen en invloed kan uitoefenen op beleid, waarbij expliciet aandacht moet zijn voor professional development
SITE2011: 21st Century Skills (deel 2)
Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.
Margaret geeft de tweede presentatie en zij vertelt over het project hapTEL in de tandartsenopleiding. "Hap" is onderdeel van "haptics", de "sense of touch" (tastzin). Het hapTEL project had als doel om een haptisch hulmiddel te ontwerpen, ontwikkelen en evalueren dat gebruik kan worden in het curriculum van de tandartsenopleiding.
Studenten in de tandartsenopleiding moeten heel specifieke vaardigheden leren, zoals hand-oog-coordinatie. Als ze in onze tanden boren willen we wel dat ze dat goed doen en heel voorzichtig zijn.. Maar hoe oefen je daarop? Uiteindelijk op echte mensen natuurlijk (maar wie wil proefkonijn zijn? ik niet..), maar in dit project wordt er eerst geoefend met behulp van technologie. Het "haptic device" is te zien op de website van hapTEL. En het is dus niet alleen een computer of een scherm! Je zit op een echte stoel, met je witte jas en je bril en je voelt wat je doet (het instrument geeft voelbare feedback als je duwt, boort, etc.).
Het voordeel van het gebruik van de technologie is dat je vaker kan oefenen dan normaal (en dat het niet zo erg is als je fouten maakt met boren...), dat het voor de opleiders makkelijk wordt om te kijken hoe de studenten het doen, dus studenten durfden meer, waardoor ze eerder dingen onder de knie hadden. Maar.. doordat er meer geoefend werd waren er ook meer tanden nodig :-) dus er werden ook plastic tanden gemaakt (25 dollar per stuk). Op die manier kan je ook vergelijkbare tanden aan studenten geven, zodat ze op hetzelfde probleem kunnen oefenen. Doordat alles digitaal is kun je ook (samen met je docent) terugkijken op wat je gedaan hebt en of dat goed gegaan is. De resultaten? Studenten vinden het een goed hulpmiddel, werken er graag mee, kunnen zichzelf beter beoordelen en hun uiteindelijke resultaten zijn verbeterd.
Ik ben niet dol op de tandarts (en ondanks de mooie resultaten is dat niet beter geworden helaas), maar ik zou eigenlijk zelf wel eens zo'n virtuele boor in m'n handen willen houden..
SITE2011: 21st Century Skills (deel 1)
Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis. Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden. Dit werk is ook onderdeel van het werk van de IFIP Working group 3.3, waar we voorafgaand aan de SITE conferentie een workshop van hadden.Mary Webb geeft de eerste presentatie. Haar onderzoek gaat over de vragen: What is the nature of feedback in pedagogical practices? What are the challenges for beginning teachers in developing their use of peer feedback intheir pedagogical practices? How can technology mediated feedback support and enable students' leanring and understanding?
Zij gebruikt bij haar werk de "aspects of formative assessment" van Black en Wiliam uit 2009, waarbij ze focust op de onderdelen "activitating students as instructional resources for one another" en "activitating students as the owners of their own learning". Daarbij is zelfregulatie van het eigen leren een belangrijk aspect. Belangrijk is dat het hier gaat om formatieve assessment en niet om summatieve assessment (dus niet "voldoende of onvoldoende", maar gericht op hoe het beter kan).
Uit de presentatie blijkt dat leraren in opleiding het niet altijd makkelijk vinden om dit in de praktijk te doen. Hoewel zij bijvoorbeeld peer feedback als interessante optie zien om formatieve assessment vorm te geven, geven de leraren aan dat zij daar zelf als student erg weinig ervaring mee hebben, dat informeel praten over het onderwijs veel nuttige dingen oplevert, maar op het moment dat ze echt peer feedback moeten geven als onderdeel van de studie ze liever feedback hebben van een docent omdat dat in hun ogen meer zou opleveren. Peer feedback wordt wel gezien als nuttig om ervaringen te delen. Het gebruik van technologie hierbij leverde vergelijkbare resultaten op. Bijna iedereen vond het een goed idee om ict te gebruiken (skype, msn, een elo-achtige omgeving), maar maar 56% van de leraren in opleiding dacht dat ze er echt iets van zouden leren.
In de lerarenopleiding moet dus eerst meer aandacht komen voor a) formatieve assesment en b) het gebruik van peer feedback bij formatieve assessment. Meer samenwerking tussen studenten en een duidelijke structurering van de discussies door een docent lijken van belang te zijn daarbij. Daarnaast zou het gebruik van technologie ook een belangrijk onderwerp moeten zijn dat in de lerarenopleidingen niet alleen beter besproken moet worden, maar ook meer gebruikt zou moeten worden door de lerarenopleiders. Studenten hebben een goed rolmodel nodig!
dinsdag 24 augustus 2010
Zoveel informatie, zo weinig tijd...
De introductie voor nieuwe studenten is druk aan de gang, volgende week beginnen de eerste colleges. Aanstaande maandag mag ik de eerste docent zijn die onze nieuwe eerstejaars studenten Onderwijskunde college zal geven. Mijn vak: Atelier 1, het vak waarin studenten een heel semester lang bezig zijn met het het nadenken over, ontwerpen en realiseren van een "educatieve multimediaomgeving". In de praktijk is dit een website waar webdesign, vormgeving, video en (uiteraard) een bepaalde inhoud bij elkaar komen. De colleges die ik verzorg gaan over ontwerpprincipes die je al dan niet kunt (of wilt) toepassen bij het ontwerpen van een dergelijke omgeving.
De colleges worden ondersteund met verschillende soorten materiaal: wetenschappelijk artikelen, berichten die ik op weblogs of andere sites vind, filmpjes van YouTube, etc. Daarbij probeer ik zo recent mogelijke informatie te vinden. En daar zit 'm nu net het probleem: in de weken dat ik op vakantie ben geweest is er zoveel nieuwe informatie bijgekomen dat ik a) het niet meer kan bijhouden en b) het moeilijk vind om een keuze te maken. Dat ligt aan het soort bronnen dat ik vind, maar ook omdat ik een afweging moet maken of de bronnen geschikt zijn voor de doelgroep, namelijk eerstejaars Onderwijskunde (en niet media-fanaten, informatici, interaction designers, etc.). En nu ik de studenten nog niet gezien heb en dus nog niet precies weet wat de stand van zaken is m.b.t. de "netgeneratie" van dit jaar ben ik voor het eerste college op zoek naar toegankelijk materiaal wat duidelijk maakt dat het gebruik van ict/media geen discussiepunt meer is, maar wel hoe je het vormgeeft zodat je een boodschap met een onderwijsdoel over kunt brengen. Misschien begin ik met het filmpje dat Wilfred Rubens op zijn blog bespreekt. Hoewel het einde van het filmpje ingaat op scholen in New Brunswick is de boodschap daarvoor natuurlijk duidelijk: ict is overal, het kan niet anders dan dat we dat in onderwijs (en opleiding) ook gebruiken, maar dat betekent waarschijnlijk ook dat we anders om moeten gaan met studenten en met onze manier van lesgeven.. Zoals Wilfred ook al aangeeft: geen nieuwe boodschap, maar er wordt nog zo weinig mee gedaan.. En dat is dan een mooie uitdaging om over na te denken voor studenten Onderwijskunde!
De colleges worden ondersteund met verschillende soorten materiaal: wetenschappelijk artikelen, berichten die ik op weblogs of andere sites vind, filmpjes van YouTube, etc. Daarbij probeer ik zo recent mogelijke informatie te vinden. En daar zit 'm nu net het probleem: in de weken dat ik op vakantie ben geweest is er zoveel nieuwe informatie bijgekomen dat ik a) het niet meer kan bijhouden en b) het moeilijk vind om een keuze te maken. Dat ligt aan het soort bronnen dat ik vind, maar ook omdat ik een afweging moet maken of de bronnen geschikt zijn voor de doelgroep, namelijk eerstejaars Onderwijskunde (en niet media-fanaten, informatici, interaction designers, etc.). En nu ik de studenten nog niet gezien heb en dus nog niet precies weet wat de stand van zaken is m.b.t. de "netgeneratie" van dit jaar ben ik voor het eerste college op zoek naar toegankelijk materiaal wat duidelijk maakt dat het gebruik van ict/media geen discussiepunt meer is, maar wel hoe je het vormgeeft zodat je een boodschap met een onderwijsdoel over kunt brengen. Misschien begin ik met het filmpje dat Wilfred Rubens op zijn blog bespreekt. Hoewel het einde van het filmpje ingaat op scholen in New Brunswick is de boodschap daarvoor natuurlijk duidelijk: ict is overal, het kan niet anders dan dat we dat in onderwijs (en opleiding) ook gebruiken, maar dat betekent waarschijnlijk ook dat we anders om moeten gaan met studenten en met onze manier van lesgeven.. Zoals Wilfred ook al aangeeft: geen nieuwe boodschap, maar er wordt nog zo weinig mee gedaan.. En dat is dan een mooie uitdaging om over na te denken voor studenten Onderwijskunde!
donderdag 1 april 2010
SITE2010: International Panel "Global Perspectives"
Toen ik vanmorgen in de grote zaal kwam om te luisteren naar de keynote presentatie van vandaag zat mijn collega Joke Voogt al op het podium, samen met een aantal collega's uit Japan, Hong Kong, Zuid Korea en Taiwan. Samen vormden zij het International Panel.
Ze moesten nog even wachten, want eerst werden een aantal awards uitgereikt aan deelnemers die een mooie poster hadden gemaakt. Onze collega Ghaida Alayyar was een van de beoordelaars! Er werd nog eens benadrukt dat posters net zo'n belangrijke bijdrage zijn als papers, symposia, etc. Ik ben gisteren ook bij de posters gaan kijken en er waren een aantal heel interessante bij. Er was ook voldoende mogelijkheid om met de poster-mensen te praten, dus die opzet is gelukt!
Dan gaat het international panel van start. De focus van de presentaties van het panel is ict-integratie in de lerarenopleiding. Young Baek uit Zuid Korea laat in zijn presentatie zien hoe in Zuid Korea geprobeerd wordt om mensen op te leiden voor 21st century skills. De presentatie van Tairo Nomura uit Japan gaat over " KAIZEN ": een Japanese strategie voor continue verbetering. Dit kan door middel van 3 deelstrategieën: self controlled/spontaneouasly, via kleine verbeteringen die elkaar opvolgen of via de PDCA cyclus. In Japan wordt de KAIZEN strategie gebruikt in ict-onderzoek en om ict te integreren in de lerarenopleiding. Docenten worden betrokken bij het proces en daarbij wordt opgemerkt dat het niet altijd nodig is om in eerste instantie het nieuwste van het nieuwste te gebruiken als het gaat om technologie, maar dat je misschien moet starten met minder geavanceerde technologieën, zodat mensen kunnen wennen. Min-Jin Lin uit Taiwan presenteerde in haar presentatie de manier waarop zij bezig zijn om ict op scholen te integreren. Dat loopt van het neerzetten van computers en het zorgen voor goede infrastructuur tot aan het trainen van docenten. De presententatie van Fong-Lok Lee uit Hong Kong gaat over "From game to learning, challenge to teachers". Belangrijk in deze context was dat er eerst geaccepteerd moet worden dat game playing ook een manier van leren is. Daarnaast moest er een verandering plaatsvinden van docentgecentreerd naar studentgecentreerd leren. Een flinke uitdaging dus, maar aan de hand van de voorbeelden die hij geeft over Farmtasia en Learningvillages konden we zien dat er heel wat bereikt was (wel even je Chinees up to date brengen..).
Dan is Joke aan de beurt en zij vertelt over het SITES project. Het doel van het SITES project is om te onderzoeken in welke mate en op welke manier onderwijs probeert in te spelen om de eisen die de informatiemaatschappij stelt. Binnen dit project zijn 3 onderzoeken uitgevoerd. Uit het eerste onderzoek bleek dat er aan het eind van de jaren 90 al aandacht was voor 21st century skills. Niet alleen docenten en studenten dachten hier over na, maar ook de directeuren. In de tweede studie bleek dat er ook al een aantal dingen gebeuren, maar dat er nog veel meer aandacht besteed moet worden aan de assessment van de 21st century skills. Het gebruik van oude manieren van testen om nieuwe vaardigheden te testen werkt niet. De derde studie naar innovatieve onderwijspraktijken en de rol van ict liet zien dat studenten veel geleerd hadden. Niet alleen qua inhoud, maar ook qua 21st century skills. Joke gaf aan dat als we dit op een hoger niveau willen brengen we zowel bottom up als top down strategieën nodig hebben. Docenten moeten zelf aan de slag gaan (en kunnen), maar beleid is ook nodig om dit te stimuleren.
Interessant van dit International Panel is dat we weer eens konden zien dat overal in de wereld gewerkt (en geworsteld) wordt met de integratie van ict in het onderwijs, maar ook dat er ondertussen heel interessante resultaten geboekt worden. En weer… die 21st century skills….!
Ze moesten nog even wachten, want eerst werden een aantal awards uitgereikt aan deelnemers die een mooie poster hadden gemaakt. Onze collega Ghaida Alayyar was een van de beoordelaars! Er werd nog eens benadrukt dat posters net zo'n belangrijke bijdrage zijn als papers, symposia, etc. Ik ben gisteren ook bij de posters gaan kijken en er waren een aantal heel interessante bij. Er was ook voldoende mogelijkheid om met de poster-mensen te praten, dus die opzet is gelukt!
Dan gaat het international panel van start. De focus van de presentaties van het panel is ict-integratie in de lerarenopleiding. Young Baek uit Zuid Korea laat in zijn presentatie zien hoe in Zuid Korea geprobeerd wordt om mensen op te leiden voor 21st century skills. De presentatie van Tairo Nomura uit Japan gaat over " KAIZEN ": een Japanese strategie voor continue verbetering. Dit kan door middel van 3 deelstrategieën: self controlled/spontaneouasly, via kleine verbeteringen die elkaar opvolgen of via de PDCA cyclus. In Japan wordt de KAIZEN strategie gebruikt in ict-onderzoek en om ict te integreren in de lerarenopleiding. Docenten worden betrokken bij het proces en daarbij wordt opgemerkt dat het niet altijd nodig is om in eerste instantie het nieuwste van het nieuwste te gebruiken als het gaat om technologie, maar dat je misschien moet starten met minder geavanceerde technologieën, zodat mensen kunnen wennen. Min-Jin Lin uit Taiwan presenteerde in haar presentatie de manier waarop zij bezig zijn om ict op scholen te integreren. Dat loopt van het neerzetten van computers en het zorgen voor goede infrastructuur tot aan het trainen van docenten. De presententatie van Fong-Lok Lee uit Hong Kong gaat over "From game to learning, challenge to teachers". Belangrijk in deze context was dat er eerst geaccepteerd moet worden dat game playing ook een manier van leren is. Daarnaast moest er een verandering plaatsvinden van docentgecentreerd naar studentgecentreerd leren. Een flinke uitdaging dus, maar aan de hand van de voorbeelden die hij geeft over Farmtasia en Learningvillages konden we zien dat er heel wat bereikt was (wel even je Chinees up to date brengen..).
Dan is Joke aan de beurt en zij vertelt over het SITES project. Het doel van het SITES project is om te onderzoeken in welke mate en op welke manier onderwijs probeert in te spelen om de eisen die de informatiemaatschappij stelt. Binnen dit project zijn 3 onderzoeken uitgevoerd. Uit het eerste onderzoek bleek dat er aan het eind van de jaren 90 al aandacht was voor 21st century skills. Niet alleen docenten en studenten dachten hier over na, maar ook de directeuren. In de tweede studie bleek dat er ook al een aantal dingen gebeuren, maar dat er nog veel meer aandacht besteed moet worden aan de assessment van de 21st century skills. Het gebruik van oude manieren van testen om nieuwe vaardigheden te testen werkt niet. De derde studie naar innovatieve onderwijspraktijken en de rol van ict liet zien dat studenten veel geleerd hadden. Niet alleen qua inhoud, maar ook qua 21st century skills. Joke gaf aan dat als we dit op een hoger niveau willen brengen we zowel bottom up als top down strategieën nodig hebben. Docenten moeten zelf aan de slag gaan (en kunnen), maar beleid is ook nodig om dit te stimuleren.
Interessant van dit International Panel is dat we weer eens konden zien dat overal in de wereld gewerkt (en geworsteld) wordt met de integratie van ict in het onderwijs, maar ook dat er ondertussen heel interessante resultaten geboekt worden. En weer… die 21st century skills….!
SITE2010: TPACK, Interdisciplinarity, mathematics & science
Omdat er zoveel presentaties zijn op SITE en er ook TPACK sessies naast elkaar worden georganiseerd is het onmogelijk om alles te zien.. Dan is het dus handig dat je met z'n tweeen naar een conferentie bent! Terwijl ik bij de presentaties van Judi Harris en Mia Kim Williams zat ging mijn collega Joke Voogt naar de presentaties van Kristen Kereluik, Punya Mishra en Matthew Koehler over "Reconsidering the T and C in TPACK: Repurposing technologies for interdisciplinary knowledge" en van Margaret Niess en Henry Gillow-Wiles over "Advancing K-8 mathematics and science teachers knowledge for teaching with technology through an online graduate program". Hieronder volgen haar aantekeningen (met dank!):
Deze presentatie ging over een cursus in de 3-jarige master ‘Interdisciplinary approach for teaching mathematics, science and technology’ voor basischoolleerkrachten. De master werd online gegeven, met alleen in de zomer F2F bijeenkomsten. Om de voortgang van de docenten te kunnen volgen moesten de docenten een elektronisch portfolio bijhouden. Het portfolio bestond (verplicht uit) uit: 4-5 lessen lessen; foto’s; video-analyse van twee lessen; analyse van leerlingwerk (zowel slechte , middelmatige als goede voorbeelden van leerlingwerk); reflecties (vooraf, tijdens en achteraf).
De docenten veranderden in de drie jaar op verschillende aspecten:
-------------
Deze keer blijkbaar minder informatie over docentontwerpteams. Wel weer aandacht voor 21st century skills. Vanuit onze vakgroep houdt Joke zich ook bezig met dit onderwerp. Is het een hype? Of is dit echt een nieuw aandachtspunt? Ik denk zelf het laatste. Alhoewel ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat al onze (nieuwe) studenten over die vaardigheden zouden beschikken. Eerder reageerde ik al eens op een bericht op de weblog van Wilfred Rubens en gaf ik aan dat ik elk jaar aan onze nieuwe eerstejaars vraag wat ze al hebben, weten en kennen. En elk jaar ben ik stiekem een beetje teleurgesteld.. Misschien hebben we dus wel een dubbeltaak: de docenten EN de studenten voorbereiden op de 21st century eisen!
-------------
1. Reconsidering the T and C in TPACK: Repurposing technologies for interdisciplinary knowledge
- Reconceptualization: Een nieuwe conceptualisering van inhoud in TPACK is nodig als het om interdisciplinaire inhouden gaat; van belang om tegemoet te komen aan de eisen van de 21e eeuw.
- Repurposing (nieuwe doelen): meeste technologie is niet voor onderwijs gemaakt. Je moet dus zorgen dat docenten flexibel zijn/worden in het gebruik van de technologie. Zorg ervoor dat het ‘works for you’
2. Advancing K-8 mathematics and science teachers knowledge for teaching with technology through an online graduate program
Deze presentatie ging over een cursus in de 3-jarige master ‘Interdisciplinary approach for teaching mathematics, science and technology’ voor basischoolleerkrachten. De master werd online gegeven, met alleen in de zomer F2F bijeenkomsten. Om de voortgang van de docenten te kunnen volgen moesten de docenten een elektronisch portfolio bijhouden. Het portfolio bestond (verplicht uit) uit: 4-5 lessen lessen; foto’s; video-analyse van twee lessen; analyse van leerlingwerk (zowel slechte , middelmatige als goede voorbeelden van leerlingwerk); reflecties (vooraf, tijdens en achteraf).
De docenten veranderden in de drie jaar op verschillende aspecten:
- TPACK levels: herkennen ------ aanpassen (zie voor de niveau’s Niess et al., 2009).
- Instructie: voornamelijk docent-geortienteerd -------- meer leerling-georienteerd
- Doel van ICT: tool om te motiveren en te onderwijzen ---- tool om te leren.
-------------
Deze keer blijkbaar minder informatie over docentontwerpteams. Wel weer aandacht voor 21st century skills. Vanuit onze vakgroep houdt Joke zich ook bezig met dit onderwerp. Is het een hype? Of is dit echt een nieuw aandachtspunt? Ik denk zelf het laatste. Alhoewel ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat al onze (nieuwe) studenten over die vaardigheden zouden beschikken. Eerder reageerde ik al eens op een bericht op de weblog van Wilfred Rubens en gaf ik aan dat ik elk jaar aan onze nieuwe eerstejaars vraag wat ze al hebben, weten en kennen. En elk jaar ben ik stiekem een beetje teleurgesteld.. Misschien hebben we dus wel een dubbeltaak: de docenten EN de studenten voorbereiden op de 21st century eisen!
woensdag 31 maart 2010
2010SITE: Keynote Erin Reilly
De keynote tijdens de tweede SITE dag werd gegeven door Erin Reilly van de University of Southern California. De titel van haar presentatie is "The gap between Life and Art". Ze begint haar presentatie met de mededeling dat "One in four online teens remix content they find online - like songs, text, or images - and remix them into their own artistic creations". Waar het hierbij om gaat is dat tieners via het internet allerlei informatie vinden en daar eigen, nieuwe informatie van maken.
Dit "remixen" komt oorspronkelijk uit de muziekindustrie, daar kennen we het woord ook van. DJ's zetten twee of meer "platenspelers" naast elkaar, draaien het door elkaar heen en maken zo een nieuwe song. Dat krijg je niet voor elkaar door zomaar iets door elkaar te mengen: het moet passen, het moet nieuw zijn, het moet mensen aanspreken en/of verassen. Remixen kan ook met andere media dan alleen muziek. Met de software mogelijkheden die op dit moment beschikbaar zijn kun je muziek, maar ook video, plaatjes, text, etc. remixen. Als voorbeeld om video's te remixen ku je JayCut bekijken. Een voorbeeld van een video die daarmee bewerkt is is de horrorfilm "The Shining", waar ze een wat minder enge versie van hebben gemaakt (via de link vind je nog meer voorbeelden). Andere voorbeelden van websites die genoemd werden zijn ccMixter, Political Remix Video en de New Media Literacies Community Site.
De vraag is nu natuurlijk hoe je dit in het onderwijs kan toepassen. Die kan bijvoorbeeld door in de klas (of online?) een bestaande film te bekijken en daar een vervolg op laten maken door de studenten of studenten zelf een film laten maken over een onderwerp dat hen aanspreekt. Studenten kunnen op dez emanier een eigen inbreng hebben. Dit betekent wel dat ze op een andere manier moeten leren en dat ze andere vaardigheden nodig hebben. Het lijkt er even op alsof Erin wil gaan zeggen dat de studenten dit allemaal nog moeten gaan leren, terwijl ze eerst aangaf dat ze dit al allemaal uit zichzelf doen. Maar het is natuurlijk niet zo dat alle studenten hier al zoveel ervaring mee hebben dat ze het ook in een onderwijssituatie kunnen toepassen. Hier moeten ze bij begeleid worden en dit betekent direct dat docenten moeten weten hoe ze dit kunnen doen.
Ook in deze presentatie komt weer Jenkin's frame for new literacies aan bod. Appropriation is daarbij van groot belang: the ability ro meaningfully sample and remix media content. Remixen kan leiden tot betekenisvol creeren van nieuwe kennis.
Op dit moment is een van mijn afstudeerders bezig met een vergelijkbaar onderzoek. Zij onderzoekt de potentie van videoberichten in de bovenbouw van het basisonderwijs voor de integratie van taal in andere vormingsgebieden. Interessant om een koppeling te leggen tussen het afstudeeronderzoek en het onderzoek van Erin Reilly!
Dit "remixen" komt oorspronkelijk uit de muziekindustrie, daar kennen we het woord ook van. DJ's zetten twee of meer "platenspelers" naast elkaar, draaien het door elkaar heen en maken zo een nieuwe song. Dat krijg je niet voor elkaar door zomaar iets door elkaar te mengen: het moet passen, het moet nieuw zijn, het moet mensen aanspreken en/of verassen. Remixen kan ook met andere media dan alleen muziek. Met de software mogelijkheden die op dit moment beschikbaar zijn kun je muziek, maar ook video, plaatjes, text, etc. remixen. Als voorbeeld om video's te remixen ku je JayCut bekijken. Een voorbeeld van een video die daarmee bewerkt is is de horrorfilm "The Shining", waar ze een wat minder enge versie van hebben gemaakt (via de link vind je nog meer voorbeelden). Andere voorbeelden van websites die genoemd werden zijn ccMixter, Political Remix Video en de New Media Literacies Community Site.
De vraag is nu natuurlijk hoe je dit in het onderwijs kan toepassen. Die kan bijvoorbeeld door in de klas (of online?) een bestaande film te bekijken en daar een vervolg op laten maken door de studenten of studenten zelf een film laten maken over een onderwerp dat hen aanspreekt. Studenten kunnen op dez emanier een eigen inbreng hebben. Dit betekent wel dat ze op een andere manier moeten leren en dat ze andere vaardigheden nodig hebben. Het lijkt er even op alsof Erin wil gaan zeggen dat de studenten dit allemaal nog moeten gaan leren, terwijl ze eerst aangaf dat ze dit al allemaal uit zichzelf doen. Maar het is natuurlijk niet zo dat alle studenten hier al zoveel ervaring mee hebben dat ze het ook in een onderwijssituatie kunnen toepassen. Hier moeten ze bij begeleid worden en dit betekent direct dat docenten moeten weten hoe ze dit kunnen doen.
Ook in deze presentatie komt weer Jenkin's frame for new literacies aan bod. Appropriation is daarbij van groot belang: the ability ro meaningfully sample and remix media content. Remixen kan leiden tot betekenisvol creeren van nieuwe kennis.
Op dit moment is een van mijn afstudeerders bezig met een vergelijkbaar onderzoek. Zij onderzoekt de potentie van videoberichten in de bovenbouw van het basisonderwijs voor de integratie van taal in andere vormingsgebieden. Interessant om een koppeling te leggen tussen het afstudeeronderzoek en het onderzoek van Erin Reilly!
dinsdag 30 maart 2010
SITE2010: Invited speaker: Chris Dede
De presentatie "Teaching and assessing 21st century skills" van Chris Dede begint met een overzicht van een aantal belangrijke uitdagingen: shifts in knowledge and skills, development of new methods of teaching and learning en changes in the characteristics of learners. Wat volgt is een filmpje over kinderen met technologie, die je geen les moet geven met bord en krijt. Natuurlijk komt er dan een filmpje met matrix/minority report-achtige tools: schermen waar je op kunt tekenen, dingen kunt verschuiven, met elkaar kan samenwerken aan documenten of foto's, kleine pda's of smart cards met allerlei handige functionaliteiten en informatie over mensen en hun contactgegevens, etc. Heel mooi natuurlijk, ik word daar zelf ook altijd enthousiast van, maar hoe (en vooral wanneer!) kunnen we dit in het onderwijs gaan gebruiken? Ik hoop dat Chris Dede daar antwoord op kan geven. Hij heeft tenslotte al jaren ervaring op het gebied van onderzoek naar ict in het onderwijs en ubiquitous computing.
Chris Dede geeft aan dat elke student voorbereid zou moeten worden om deze nieuwe technologieen te gebruiken. De technologie zelf is (volgens Chris) niet het moeilijke. Wat moeilijk is om mensen erop voor te bereiden om het op een goede manier te gebruiken. Oftewel: ze moeten 21st century skills ontwikkelen. Eigenlijk kunnen web2.0 technologieen al gezien worden als dit soort technologieen: je kan informatie delen (bijv. social bookmarking), je kan informatie verspreiden (bijv. blogs) en er over nadenken en je kunt samen dingen creeeren (bijv. wiki's). Maar hij geeft ook aan dat "new literacies are multiple, multimodel, and multifaceted", oftewel: ze zijn zeer complex! Jenkin's frame for new literacies geeft aan wat het allemaal omvat: play, performance, simulation, appropriation, multitasking, distributed cognition, collective intelligence, judgement, transmedia navigation en networking.
Hoe moet je dit nu voor elkaar krijgen in het onderwijs? Volgens Chris via "collaborative problem resolution via mediated interaction": je moet aan de gang gaan met een moeilijk probleem in een team. Dat probleem moet je eerst vinden, daarna pas oplossen en je moet het probleem samen begrijpen, vanuit meerdere invalshoeken. Dat zou via "situated learning" moeten gebeuren en dat kun je heel goed doen in multi-user virtual environments (MUVE), virtual reality en ubiquitous computing of augmented reality. Chris gaat in op een voorbeeld van een MUVE, waarbij het gaat om "complex causality" van ecosystemen. Een echt meer is omgezet in een virtueel meer en in een game-omgeving gezet. Via een tijdmachine kan het meer bekeken worden in verschillende jaren. Op die manier kan het ecosysteem bestudeerd worden. Daarbij kun je gebruik maken van verschillende meetinstrumenten. Naast echte manieren van meten kun je in een MUVE ook fantasie inbouwen. In dit geval kun je met een duikboot het meer induiken om te kijken wat er onder water gebeurt. Daarnaast kun je een atoom adopteren en elke keer als je in de MUVE komt kun je kijken hoe het met jouw atoom gaat, hoe het atoom beinvloed wordt door omstandigheden, etc.
Maar: hoe meet je nu of kinderen hier iets van leren? Want als je het niet meet is niet bewezen dat het werkt, wordt het niet gezien als iets nuttigs en wordt het heel moeilijk om het te implementeren.. In een aantal onderzoeken worden studenten onderworpen aan een toets nadat ze in bijvoorbeeld een MUVE hebben geleerd. Daarmee kun je wel inhoud testen, maar niet de 21st century skills die je ze ook wilt aanleren. In het onderzoek van Chris Dede is een manier ontwikkeld om ook deze vaardigheden te toetsen: in een MUVE zelf natuurlijk! Binnen de MUVE moeten de studenten 3 taken uitvoeren: probleem identificatie, experimenteren en hypothese opstellen. De studenten krijgen in de omgeving een introductie en gaan aan de slag. Er wordt dan gekeken wat voor soort activiteiten de student uitvoert en studenten kunnen op basis van hun acties adaptief door het systeem geleid worden. Op deze manier kunnen zowel de vaardigheden als de kennis getest worden. Om dit te meten worden hele rijke logfiles gebruikt: waar zijn de studenten geweest in de MUVE, met wie hebben ze gecommuniceerd, wat hebben ze gezegd, wat voor artifacten hebben ze geactiveerd, welke databases hebben ze gebruikt, welke data hebben ze zelf verzameld, welke meetinstrumenten hebben ze gebruikt, welke aantekeningen hebben ze gemaakt.
Dit betekent overigens wel dat de assessment formatief en diagnostisch is, niet summatief, zoals we vaak gewend zijn. Dit geeft meer mogelijkheden om het leren te verbeteren en het zou in de toekomst de summatieve manier van toetsen kunnen vervangen.
Heeft deze presentatie mij nu een antwoord gegeven op de vraag wanneer we meer kunnen doen met ubiquitous-achtige toepassingen? Nee... maar dat zegt eigenlijk al genoeg... Toch loop ik na de presentatie nog even bij hem langs en vraag hem naar een toekomstvoorspelling. Hij vertelt dat hij het in labsettings al voor elkaar heeft, maar voor de "gewone markt"? Dat gaat nog wel een jaar of 10 duren...
Chris Dede geeft aan dat elke student voorbereid zou moeten worden om deze nieuwe technologieen te gebruiken. De technologie zelf is (volgens Chris) niet het moeilijke. Wat moeilijk is om mensen erop voor te bereiden om het op een goede manier te gebruiken. Oftewel: ze moeten 21st century skills ontwikkelen. Eigenlijk kunnen web2.0 technologieen al gezien worden als dit soort technologieen: je kan informatie delen (bijv. social bookmarking), je kan informatie verspreiden (bijv. blogs) en er over nadenken en je kunt samen dingen creeeren (bijv. wiki's). Maar hij geeft ook aan dat "new literacies are multiple, multimodel, and multifaceted", oftewel: ze zijn zeer complex! Jenkin's frame for new literacies geeft aan wat het allemaal omvat: play, performance, simulation, appropriation, multitasking, distributed cognition, collective intelligence, judgement, transmedia navigation en networking.
Hoe moet je dit nu voor elkaar krijgen in het onderwijs? Volgens Chris via "collaborative problem resolution via mediated interaction": je moet aan de gang gaan met een moeilijk probleem in een team. Dat probleem moet je eerst vinden, daarna pas oplossen en je moet het probleem samen begrijpen, vanuit meerdere invalshoeken. Dat zou via "situated learning" moeten gebeuren en dat kun je heel goed doen in multi-user virtual environments (MUVE), virtual reality en ubiquitous computing of augmented reality. Chris gaat in op een voorbeeld van een MUVE, waarbij het gaat om "complex causality" van ecosystemen. Een echt meer is omgezet in een virtueel meer en in een game-omgeving gezet. Via een tijdmachine kan het meer bekeken worden in verschillende jaren. Op die manier kan het ecosysteem bestudeerd worden. Daarbij kun je gebruik maken van verschillende meetinstrumenten. Naast echte manieren van meten kun je in een MUVE ook fantasie inbouwen. In dit geval kun je met een duikboot het meer induiken om te kijken wat er onder water gebeurt. Daarnaast kun je een atoom adopteren en elke keer als je in de MUVE komt kun je kijken hoe het met jouw atoom gaat, hoe het atoom beinvloed wordt door omstandigheden, etc.
Maar: hoe meet je nu of kinderen hier iets van leren? Want als je het niet meet is niet bewezen dat het werkt, wordt het niet gezien als iets nuttigs en wordt het heel moeilijk om het te implementeren.. In een aantal onderzoeken worden studenten onderworpen aan een toets nadat ze in bijvoorbeeld een MUVE hebben geleerd. Daarmee kun je wel inhoud testen, maar niet de 21st century skills die je ze ook wilt aanleren. In het onderzoek van Chris Dede is een manier ontwikkeld om ook deze vaardigheden te toetsen: in een MUVE zelf natuurlijk! Binnen de MUVE moeten de studenten 3 taken uitvoeren: probleem identificatie, experimenteren en hypothese opstellen. De studenten krijgen in de omgeving een introductie en gaan aan de slag. Er wordt dan gekeken wat voor soort activiteiten de student uitvoert en studenten kunnen op basis van hun acties adaptief door het systeem geleid worden. Op deze manier kunnen zowel de vaardigheden als de kennis getest worden. Om dit te meten worden hele rijke logfiles gebruikt: waar zijn de studenten geweest in de MUVE, met wie hebben ze gecommuniceerd, wat hebben ze gezegd, wat voor artifacten hebben ze geactiveerd, welke databases hebben ze gebruikt, welke data hebben ze zelf verzameld, welke meetinstrumenten hebben ze gebruikt, welke aantekeningen hebben ze gemaakt.
Dit betekent overigens wel dat de assessment formatief en diagnostisch is, niet summatief, zoals we vaak gewend zijn. Dit geeft meer mogelijkheden om het leren te verbeteren en het zou in de toekomst de summatieve manier van toetsen kunnen vervangen.
Heeft deze presentatie mij nu een antwoord gegeven op de vraag wanneer we meer kunnen doen met ubiquitous-achtige toepassingen? Nee... maar dat zegt eigenlijk al genoeg... Toch loop ik na de presentatie nog even bij hem langs en vraag hem naar een toekomstvoorspelling. Hij vertelt dat hij het in labsettings al voor elkaar heeft, maar voor de "gewone markt"? Dat gaat nog wel een jaar of 10 duren...
Abonneren op:
Posts (Atom)

