Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen

vrijdag 24 juni 2011

"Ondersteuning regel je niet met een workshopje"

Op de website van School aan zet vind ik een verslag van de presentatie die Jules Pieters, onze vakgroepvoorzitter, gaf op de driedaagse conferentie Tien jaar leren in Lunteren. Ik vond dit verslag eigenlijk alleen op basis van de titel "Ondersteuning regel je niet met een workshopje", iets waar ik me graag bij aansluit. Een stukje uit het verslag:

Jules ziet de steeds ‘dikker' wordende methodes als een signaal. "Hoe meer er in de methode staat, hoe minder een leerkracht hoeft te kennen en kunnen - denken we vaak. Maar dat beperkt de ontwikkeling van de leerkracht en - dus - van het onderwijs." Hij pleit voor ‘dikke' leraren. Door te zorgen dat de juiste mensen leraar worden, bijvoorbeeld, en hen goed op te leiden tot effectieve onderwijzers en te zorgen dat het systeem de beste instructie voor ieder kind mogelijk maakt.

Maar ja, hoe zorg je daar dan voor? Volgens Jules "Door samen data te onderzoeken en te analyseren en door samen onderwijs te ontwikkelen en te evalueren en vooral door te accepteren dat nascholing hoort bij het vak.". En dit is uiteraard de kern van ons onderzoeksprogramma.. Geinteresseerd? Zie het verslag van Jules' presentatie, of ons onderzoeksprogramma!

donderdag 23 juni 2011

Een oud proefschrift...

In 2001 mocht ik mijn proefschrift "Using information and communication technology: a process of change in higher education" verdedigen. De aanleiding van mijn onderzoek was het feit dat de omgeving van universiteiten altijd onderhevig is aan constante veranderingen. Deze veranderingen hebben onder andere te maken met het groeiende bewustwording dat ICT een bijdrage kan leveren aan het inspelen op deze veranderingen. Gebaseerd op die ideeën werd de volgende onderzoeksvraag voor dit onderzoek geformuleerd: “(a) Welke factoren hebben een effect op veranderingsprocessen in universiteiten met betrekking tot het implementeren van een nieuwe vorm van ICT in het onderwijs en (b) welk effect heeft de keuze voor deze vorm van ICT op de implementatie ervan in het onderwijs van de faculteiten?”.

Het is "oud" onderzoek. 10 jaar is natuurlijk bijna 100 jaar als het om ict gaat. En toch.. als ik hier in Michigan luister waar de PhD studenten onderzoek naar doen, dan zijn er toch een heel aantal die iets vergelijkbaars aan het onderzoeken zijn. Uiteraard met een focus op nieuwere ict-mogelijkheden, maar toch.. Doordat zij vroegen of mijn proefschrift digitaal beschikbaar is keek ik even of de link daarnaar toe nog steeds werkt (ja) en zag toen dat het ook nog steeds gedownload wordt! Wat leuk! :-)


donderdag 9 juni 2011

ORD2011: Docenten als herontwerpers en medeontwerpers van een ict-rijk curriculum

De tweede rondetafelbijeenkomst die ik vanmiddag bijwoon is ook van een collega die bezig is met haar promotieonderzoek, Amina Cviko. Zij doet onderzoek naar docenten als herontwerpers van een ict-rijk curriculum voor beginnende geletterdheid. Als uitgangspunt heeft Amina dat als docenten samenwerken bij curriculumontwerp zij er van leren en er ook sneller zelf gebruik van zullen maken. Haar studie tracht inzicht te krijgen in de effecten van docentbetrokkenheid bij ontwerpen in twee vormen: docenten werken aan lesmateriaal in teamverband; het ene team herontwerpt bestaand materiaal, het andere maakt iets geheel nieuws.

Uit de eerste resultaten van het onderzoek blijkt dat de docenten hun betrokkenheid als positief ervaren, ze voelen zich mede-eigenaar van het uiteindelijke product, het werken in het team bevordert reflectie, maar van de herontwerpers staan toch 3 van de 4 docenten liever voor de klas..

Kijken naar de implementatie van dat wat de docenten ontworpen hebben lijkt het er op dat de herontwerpers verschillen in de mate van integratie van het ontwikkelde materiaal en activiteiten. De mede-ontwerpers integreren de materialen/activiteiten in veel hogere mate. Oftewel: het team dat iets helemaal nieuws ontwerpt voelt zich meer betrokken dan het team dat bestaand materiaal herontwerpt en is beter in staat om het materiaal ook in de klas te gebruiken.

De vraag waar Amina nu voor staat is of je deze vergelijking ook echt kan maken en hoe je dat het beste kan uitvoeren op basis van de kwantitatieve en de kwalitatieve data. Uiteindelijk wil ze uitspraken doen of je docenten materiaal beter van begin af aan zelf kan laten ontwerpen, of dat het herontwerpen van bestaand materiaal meer invloed heeft op de mate van implementatie en uiteindelijk ook op de leerprestaties van de leerlingen.. Interessante methodologische vraag.. Er zijn waarschijnlijk veel meer variabelen die invloed hebben op het uiteindelijke resultaat. Maar hoe kom je daar achter? Amina heeft "maar" twee case studies, maar wel heel rijke data. En nog een jaar om het uit te zoeken.. Ik ben nu al benieuwd naar haar proefschrift!

ORD2011: Arrangeren door docenten en de Storyline onderzoeksmethode

Ik ben vanmiddag aanwezig bij een rondetafelbijeenkomst van mijn collega Tjark Huizinga. Hij doet promotieonderzoek naar het ontwikkelen van ondersteuning voor docenten die in ontwerpteams gezamenlijk (delen van) het curriculum vernieuwen. Specifiek gaat het in zijn promotieonderzoek om docentenontwerpteams die curriculummaterialen arrangeren (of herontwerpen) aansluitend bij een (vernieuwde) leerlijn.

Tjark gaat bij zijn presentatie in op het gebruik van de storyline methode. Bij deze methode ga je achteraf met docenten terugkijken op het proces dat zij doorlopen hebben en geef je aan hoe goed je het vond gaan op basis van je huidige visie op het proces. Je vertelt dat niet alleen, maar je zet op een grafiekje uit hoe je het vond. Op de x-as staat de tijd, op de y-as staat de beoordeling, bijvoorbeeld op een schaal van 1 tot 5. Doel van deze methode is om de docenten op hun eigen ervaringen en activiteiten te laten reflecteren, later gezamenlijk te bediscussieren en op deze manier een extra slag te maken in de professionalisering. En voor Tjark is het op deze manier te onderzoeken welke ondersteuning wel of niet geholpen heeft tijdens het proces.

Er komen direct vragen of docenten (of mensen in het algemeen) wel kunnen terugkijken en daar een oordeel aan kunnen geven. En daaraan gerelateerd: willen docenten daar wel aan meewerken? Tjark geeft aan dat de docenten in de case studies die hij nu uitvoert erg gemotiveerd zijn om met het onderzoek mee te doen en ook zelf aan de slag willen met het arrangeren van curriculummaterialen. Maar: de case studies zijn net (maart 2011) begonnen en er is dus nog niet gebruik gemaakt van de story-line methode.

De discussie die volgt richt zich eerst op hoe je docenten goed betrekt bij je onderzoek. Belangrijk natuurlijk, maar ik hoopte meer te weten te komen over de methode zelf (maar dat is het risico van een rondetafelbijeenkomst, je weet nooit waar de deelnemers mee komen!). Later gaat het wel over hoe je nu wel of niet stuurt op de momenten die docenten noemen tijdens de reflectie. Het is de bedoeling dat de pieken en de dalen in de getekende grafiek besproken worden. Maar het zou kunnen dat die pieken en dalen met name gebaseerd zijn op "emoties" (wanneer vond ik het voor mezelf niet zo goed gaan en hoe krijg ik dat duidelijk in de grafiek) en minder op het proces zelf. Het lijkt belangrijk te zijn welke vraag je stelt aan de docenten op het moment dat ze beginnen met reflecteren. Als je begint met een algemene vraag als "hoe vond je dat het ging" loop je het risico dat er inderdaad met name gevoelskwesties aan bod komen. We komen er niet helemaal uit wat dan wel een goede startvraag is. Wel lijkt het goed om de x-as niet helemaal vrij te laten, maar daar toch al wat momenten van het proces aangeven. Op die manier reflecteren de docenten allemaal over dezelfde momenten in de tijd en is het makkelijker om te vergelijken en te bediscussieren. Maar dan is natuurlijk de vraag in hoeverre je die x-as vooraf gaat bepalen, oftewel, hoeveel stuur je? Of moet je het eerst helemaal open laten en later herhalen in een meer gestructureerde vorm? Of kost dat weer teveel tijd van docenten.

Allemaal vragen waar Tjark zich de komende tijd mee bezig kan houden :-) en waar hij misschien op kan reageren? ...

zondag 6 maart 2011

SITE2011: Onderzoek Taaltreffers gepresenteerd

Voor de SITE conferentie echt begint ben ik aanwezig bij een workshop van een van de werkgroepen van IFIP (zie link voor meer informatie over het onderwijs-gedeelte van IFIP). Een kleine groep van onderzoekers op het gebied van ICT in het onderwijs zit hier bij elkaar, waaronder Niki Davis, David Gibson en Gerald Knezek. Een voorrecht om hier ons onderzoek naar Taaltreffers te presenteren!

Taaltreffers een educatieve online taalgame met bijbehorende lesbrieven en ondersteunend materiaal, bedoeld om de woordenschat van leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs te verhogen. Uit ons onderzoek blijkt dat woordenschat van de leerlingen significant is uitgebreid (zie ook mijn eerdere bericht hierover).

Ook bij deze bijeenkomst presenteerde ik de resultaten, maar ging ook in op het feit dat de game en de lesbrieven beide ontworpen zijn aan de hand van het viertaktmodel van Verhallen (Verhallen & Verhallen, 1994), waarbij woorden in vier stappen worden aangeboden: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren. Voorbewerken en semantiseren (betekenis geven aan woorden) gebeurt in de klas door de leerkracht die daarbij ondersteund wordt door lesbrieven. Het consolideren/oefenen en controleren/testen gebeurt in de game. Wat bleek na afloop van een eerste pilot met de game is dat de leerkrachten niet allemaal voldoende op de hoogte zijn van het model van Verhallen en.. dat het daardoor wellicht aantrekkelijk is om de eerste twee fases van het model over te slaan en de kinderen gewoon meteen achter de computer te zetten. En is dat erg? De woordenschat is toch vergroot? Nou.. misschien is het leereffect nog wel veel hoger als je die twee eerste fases wel uitvoert!

De reden waarom ik dit hier nu beschrijf is omdat ons uitgangspunt altijd is geweest dat de leerkracht een belangrijke rol heeft in het woordenschatonderwijs, zeker als we het hebben over leerlingen die echt een achterstand hebben. Toch werd er door een aantal onderzoekers hier opgemerkt dat het misschien toch interessant is om te kijken of je de eerste 2 fases van Verhallen toch niet ook in de game kunt inbouwen. Daarmee maak je je minder afhankelijk van de leerkrachten. Het streven om de leerkracht hier een sterke rol in te geven is goed, en ze een betere training te geven op dit gebied voordat ze met de game gaan werken is ook goed, maar omdat we weten dat het niet altijd zo uitpakt als je van te voren wilt moeten we misschien toch kijken naar de mogelijkheden binnen de game.

Misschien is het lastig om je hier iets bij voor te stellen als je de game niet kent of gespeeld hebt, maar mijn vraag is of je inderdaad de twee fases van voorbewerken en semantiseren (twee heel belangrijke fases!) in een game kan inbouwen. Als ik de voorbeelden die hier gegeven worden zo beluister kan het wel. Maar willen we dat ook?

SITE2011: De voorbereidingen

Het regent in Nashville.. Jammer, maar het komt eigenlijk ook wel goed uit. Geen verleiding om de omgeving te gaan bekijken, maar druk aan het werk om mijn presentaties (verder) voor te bereiden. Bij alledrie de presentaties komen eigenlijk dezelfde 2 vragen naar voren: wat moeten leraren doen, hebben en kunnen om ict in het onderwijs te gaan gebruiken en wat kunnen wij als onderzoekers of ondersteuners doen om de leraren daarbij te helpen? En natuurlijk moeten we eerst op de eerste vraag een goed antwoord hebben om een antwoord te kunnen geven op de tweede vraag.

Maar wat moeten leraren doen, hebben en/of kunnen om ict in het onderwijs te gaan gebruiken? Elke keer denken we het antwoord te hebben, maar aan de andere kant zijn we eigenlijk nog steeds niet tevreden over de mate waarin er ict in het onderwijs gebruikt wordt. Echt gebruikt wordt, geintegreerd in de dagelijkse praktijk.

Het is te makkelijk om te zeggen dat alle leraren TPACK moeten hebben en dat het dan wel goed komt. Ja, leraren moeten iets weten over de inhoud van het vak, over de didactische aanpak die ze kunnen kiezen en over de manier waarop ict het geheel kan ondersteunen en ze moeten ook iets weten over de onderlinge samenhang tussen inhoud, didactiek en ict. Maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet. Iets weten betekent nog niet dat je het gaat doen.

Maar waar zit het 'm dan wel in? In houding/attitude ten aanzien van ict in het onderwijs? Misschien wel. Als je ict interessant of leuk vindt zul je eerder geneigd zijn om er iets mee te doen. Maar ik denk dat alleen een positieve houding ook niet genoeg is. Wellicht geven Gerald Knezek en Rhonda Christensen een (deel van het) antwoord met hun WST model. WST staat voor Will Skill Tool: de wil om ict te gebruiken, de vaardigheid om ict te gebruiken en de toegang tot  of beschikbaar heid van ict hulpmiddelen. Deze 3 factoren bepalen volgens hen de kans dat ict geïntegreerd gebruikt gaat worden in het onderwijs. Ook zij combineren dus houding en kennis/vaardigheden en geven daarbij aan dat een leraar natuurlijk ook wel over de juiste ict moet beschikken.

En dan denk ik dat er nog een ingredient toegevoegd moet worden.. het vertrouwen dat je het ook echt in de praktijk kan toepassen. Wij noemen dat sinds een jaar of twee het "gevoel van bekwaamheid". In het Engels gebruiken ze daar de mooie term "self-efficacy" voor, een term die ooit door Albert Bandura (1977) omschreven werd als het vertrouwen dat een individu in zichzelf heeft om bepaalde taken tot een goed einde te brengen. Hoe hoger het gevoel van self-efficacy, hoe groter de motivatie om iets te gaan doen. Ook self-efficacy heeft dus te maken met houding, kennis en vaardigheden, maar ook met hoe je over jezelf denkt.

Uit onderzoek is ondertussen wel bekend hoe je de self-efficacy van iemand kan verhogen: door het opdoen van succeservaringen, het stimuleren van mensen door ze goede voorbeelden te geven, het beginnen met werken aan deelvaardigheden en dit via oefenen uitbouwen tot een complexer geheel om tot slot het geleerde in de praktijk te brengen. En daarbij moet aandacht besteed worden aan het ontwikkelen van een positieve attitude en het gepercipieerde kennisniveau. Dus toch weer de combinatie houding-kennis. En veel oefenen in de praktijk. Is dat dan het antwoord? Oefenen en ervaring opdoen? Ja, ik denk het wel. Maar... hoe krijg je mensen aan het oefenen? ...

woensdag 3 november 2010

Goed onderwijs met of zonder ict

Larry Cuban blogte vorige week over technologie in het onderwijs. De titel van zijn bericht is High Performing Teachers with Low-Tech Classrooms. Hij verwijst daarbij naar het artikel Brilliance in a box van Amanda Ripley in Slate Magazine. Daarin schrijft Amanda "Classrooms in countries with the highest-performing students contain very little tech wizardry, generally speaking. They look, in fact, a lot like American ones—circa 1989 or 1959. Children sit at rows of desks, staring up at a teacher who stands in front of a well-worn chalkboard."

Op basis van het beschreven onderzoek wordt door beide auteurs geconcludeerd dat zowel low-tech en high-tech toepassingen ingezet kunnen worden om het leerproces van de leerling/student te ondersteunen, maar dat de keuze voor een bepaalde technologie af moet hangen van de doelen van de les, de kennis over het onderwerp, de manier waarop je les wilt geven en last but not least de wil om de technologie te gebruiken. Larry Cuban eindigt zijn bericht met "So I end by repeating what has become a cliche but needs to be said again and again: Good teaching is not about access to and use of high-tech machines, it is about teacher knowing their subjects, establishing rapport with students, and prodding and supporting them to learn.".

En ja, dit moet elke keer opnieuw gezegd worden. En het lijkt misschien een cliche, maar dat is het niet. Wel denk ik dat "good teaching" een combinatie is van kennis over je vak, kennis over je doelgroep, kennis over hoe je je vak moet overbrengen aan je doelgroep en kennis over hoe je dat allemaal zo goed mogelijk kan ondersteunen met behulp van technologie (TPACK dus!). En de ene keer zal dat "gewoon" een boek of een powerpoint presentatie zijn en een andere keer een digibord, smartphone, simulatie, game of iets anders nog geavanceerder zijn!

vrijdag 22 oktober 2010

Integrating technology: "just try it"!

An article which I have read a couple of weeks ago (and also showed to my students) keeps popping up in my mind.. it's the article of Mary Burns about "The 5J approach". As many articles that have been published recently the topic is difficulties that teachers face when integrating technology into classroom learning. The author of this article indicates that one cause of this difficulty seems to be the types of technology-related professional development teachers receive (still too focused on learning how to use the software instead of integrating it into someone's own teaching and learning process). And this is not a new message. We know that teachers are using technology, but this use is often related to administration, preparation of documents or displaying a presentation. Using technology as a learning tool for students is a different and more difficult thing. And we still have not figured out why this is the way it is.

In the mean time many researchers (including me and my colleagues) are trying to find out a) why teachers still have difficulties with integrating technology and b) if (if!) we find the answer to this: how can we really help them to integrate the technology in such a way that both teachers and students can benefit from it.

At the moment we are trying to find out if the TPACK framework can be of assistance in this and it looks promising. But it might be interesting to see if we can use the 5J's too. The 5J's stands for technology professional development which is:
  • job-related, focused on the core competencies of the classroom, not technology
  • just enough, emphasizing increased comfort, not proficiency, with computers and management of limited technology resources
  • just in time, meaning teacher are provided with skills as and when needed
  • just in case teachers need to plan for contingencies
  • accompanied by a "just try it" attitude, wherein instructors apply both pressure and support to compel teachers to use what they've learned.
The first time I saw this list I was triggered by the fifth J: Just try it. And if you look at what the author is writing, she is saying that this J might be the most important of all J's. She states that "central to change is action, and this is where professional development often breaks down. [...] Without application in the classroom, professional development is a waste of time, money, and effort." It is argued in the article that "Only when these five 'J's come together in a systematic way might the story of technology-based trainings have a different ending."
Figure 1: Proposed visual of the 5J model

I tried to put this in a figure (I like visual representations..) that is similar to the TPACK circles. Following the arguements in the article of Mary Burns we should pay attention to all 5 J's in order to have a succesfull technology-based training.

But I propose an alternative.. My suggestion is to support teachers by paying attention to job-related, just enough, just in time and just in case in combination with a little bit more attention to linking this with pedagogy and content (and thereby emphasising the job-related component?) and placing the "just try it" in the middle of the figure like this:
Figure 2: Alternative visual of the 5J model

It is my hope that by paying sufficient (and what is sufficient?..) attention to the other 4 Js, the teacher should be encouraged enough to try things out in his or her classroom.

And yes.. I am also "just trying".. I realise that the overlapping circles are not really the right way to visualise it, because what would be the overlap between job-related and just enough and between all the other components?

But if you have any ideas about the 5 J's, please let me know!

donderdag 21 oktober 2010

ISSOTL2010: Technology-Supported Reflection in Kuwait

This morning I presented Abdullah Almodaires' work that he carried out during his PhD study. Abdullah's study was about Technology-Supported Reflection in Kuwait. He implemented a new way of supporting field training activities for prospective primary school teachers. A big challenge.. not only did he propose to use a new pedagogical approach, he also introduced new technology to support this. In order to reduce the gap between what students theoretically learn at the university and what they have to do in the schools when they are teaching he did an experiment in which he introduced the reflective practice approach and supported this with an online video-based learning environment. If you are interested in this you can read his dissertation and/or look at the presentation of this morning:

dinsdag 28 september 2010

TPACK populair

De publicatie die ik samen met Joke Voogt en Jo Tondeur schreef met de titel "Maak kennis met TPACK" in de onderzoeksreeks van Kennisnet is populair! Uiteraard is het document te downloaden via de website van Kennisnet, maar de papieren versie is zo goed als "uitverkocht". Op dit moment wordt er gewerkt aan een tweede druk.

Leuk nieuws natuurlijk! De vraag is natuurlijk waarom dit onderwerp zo populair is. Ik denk zelf dat dat komt omdat het TPACK model er op zich overzichtelijk uitziet met de drie domeinen (rondjes) die in elkaar schuiven en dat het niet zo moeilijk is om te begrijpen wat er bedoeld wordt.
Daarnaast gaat het model uit van de expertise van de docent, namelijk het verzorgen van onderwijs op zo'n manier dat de leerling of student er het beste en het meeste van kan leren. Het model en de achterliggende ideeen proberen de leraar te ondersteunen bij het maken van bewuste keuzes. Niet alleen daar waar het gaat om de keuze voor een specifieke ict-toepassing, maar ook op het gebied van (vak)didactiek in relatie tot ict. Hoe kan je ict gebruiken om een onderwerp inzichtelijk te maken? Hoe kun je ict gebruiken om leerlingen met elkaar te laten samenwerken? Het model zelf geeft overigens geen antwoord op deze vragen, maar het helpt bij het kritisch nadenken over keuzes die je als leraar kan maken. Naast het model zijn er verschillende manieren en werkvormen om na te denken over de keuzes die je kan maken rondom je onderwijs en die hebben we ondertussen toegepast in diverse workshops over TPACK. Het lijkt er op dat het model helpt bij het geven van een nieuwe impuls aan het nadenken over de integratie van ict in het onderwijs. De belangstelling is in ieder geval groot!

donderdag 16 september 2010

Onderzoek TPACK bij video-integratie in het basisonderwijs

Deze week verscheen het afstudeerartikel "LIVE. De potentie van videoberichten in de bovenbouw van het basisonderwijs en de TPACK van docenten" van Maaike Heitink (Onderwijskunde, Universiteit Twente) dat ik samen met mijn collega Susan McKenney begeleid heb. In het artikel wordt een onderzoek beschreven dat in 3 groepen 7 van het basisonderwijs is uitgevoerd rondom de implementatie van videoactiviteiten in het onderwijs.

Tijdens LIVE (Language Instruction through Video-making Experiences) maakten de leerlingen zelf een videobericht over een bepaald onderwerp. Op basis van dat onderwerp moeten zij informatie verzamelen, een verhaal bedenken, deze vertalen naar een videoscript om vervolgens op basis daarvan de video op te nemen en uiteindelijk te monteren. Tijdens het maken van het videoscript en het monteren van de video moesten de leerlingen beelden selecteren en ordenen om tot een kernachtig, goed lopend verhaal te komen. De leerlingen werkten op die manier aan zowel taal-en communicatievaardigheden als aan vakinhoudelijke kennis (want zonder die kennis kun je natuurlijk geen goede video maken).

Tijdens het onderzoek is nagegaan wat de leerlingen hiervan vonden (leuk) en of ze iets geleerd hadden (ja), maar de grootste nadruk lig op de ervaringen van de docenten en de vraag of zij gebruik maakten van Technological Pedagogical Content Knowledge (TPACK) en gerelateerde competenties om de videoactiviteiten op een effectieve manier in het onderwijs te implementeren.

Uit de resultaten van het onderzoek van Maaike blijkt dat de docenten enthousiast zijn over het niveau van de eindproducten en het enthousiasme van de leerlingen. Het toepassen van TPACK is echter niet voor alle docenten vanzelfsprekend. Verschillen tussen de docenten zitten vooral in het toepassen van Technological Pedagogical Knowledge (TPK), het op een didactische manier organiseren van het leerproces rondom video. Het ging hierbij met name om de moeilijkheid van het geven van gerichte feedback op bijvoorbeeld de videoscripts met betrekking tot cameragebruik (en op welke manier hiermee verschillende effecten bereikt kunnen worden) en om het aannemen van een coachende rol zodat het leerproces rondom het maken van video opgang komt en blijft.

Maaike geeft in haar artikel aan dat het opvallend is dat alle docenten aangeven dat ze de videoactiviteiten goed binnen het curriculum vinden passen. Tot nu toe concluderen de meeste studies over het implementeren van nieuw curriculummateriaal in het onderwijs namelijk dat docenten het tegenovergestelde vinden. Een mogelijke reden die Maaike hiervoor geeft is dat de docenten in dit onderzoek zelf mochten kiezen waaraan de videoactiviteiten gekoppeld werden, waardoor de docent zelf kon bepalen welke bestaande onderdelen van het lesprogramma vervangen konden worden door de videoactiviteiten.

Uit het onderzoek blijkt verder dat door het integreren van de videoactiviteiten in het onderwijs de TPACK van docenten gestegen is. Dit kan verklaard worden uit het feit dat de docenten actief bezig zijn geweest binnen dit project en omdat zij achteraf gevraagd werd om een eigen reflectie op het hele proces te geven.

Al met al een zeer interessant onderzoek waar we zeker mee verder gaan!

dinsdag 24 augustus 2010

Het Leren van de Toekomst...

Op de website van het SURFnet Kennisnet Innovatieprogramma vond ik vanavond de "digitale rapportage Het Leren van de Toekomst". Het rapport gaat in op een onderwijsexperiment op een basisschool in Eibergen: 3 weken lang kregen de leerlingen van de groepen 6, 7 en 8 les met behulp van allerlei nieuwe ict-toepassingen. Touchtables, laptops, pda's, etc. werden ingezet en er werd onderzocht wat de effecten van dit gebruik waren. "Niet eerder zijn zoveel verschillende digitale leermiddelen tegelijkertijd in een praktijksituatie ingezet" beschrijft het rapport. Geweldig! Om jaloers van te worden! De conclusies van de onderzoekers is dat
  • ict gebruikt kan worden voor efficienter, effectiever en aantrekkelijker onderwijs
  • ict mogelijkheden biedt voor maatwerk
  • de leerkracht procesbegeleider wordt
  • leerlingen variatie willen
  • de potentie van ict niet vanzelfsprekend wordt benut
Dit zijn natuurlijk geen nieuwe conclusies, maar in ieder geval een bevestiging uit de praktijk van wat over het algemeen gedacht wordt over het gebruik van ict in het onderwijs.

Maar.. 3 weken.. is dat niet wat weinig om conclusies te trekken? En wat voor activiteiten zijn ondernomen om de school en de leerkrachten voor te bereiden? En komt er een vervolg? De leerlingen in het filmpje geven in ieder geval aan dat ze het erg jammer zouden vinden als ze vanaf nu weer "gewoon" les zouden krijgen. Ik hoop binnenkort meer te horen over dit project, de manier waarop het opgezet is, welke mogelijkheden voor vervolg er zijn en... of de resultaten van dit onderwijsexperiment zo overtuigend waren en de meetinstrumenten zo goed dat je inderdaad na 3 weken al iets kunt zeggen over de effecten!

p.s. overigens blijkt uit de acherliggende website dat er inderdaad heel wat bij komt kijken. In de vorm van bijvoorbeeld HoeDoes en ToeDoes wordt beschreven hoe je verschillende toepassingen kan gebruiken, waarbij in de HoeDoes staat beschreven hoe iets werkt en in de ToeDoes staat wat een leerling ermee moet doen. Nuttige informatie! Maar het is dus niet alleen maar even 3 weken wat leuke ict-tooltjes gebruiken!! Er komt dus wel iets meer bij kijken.. en dan zou het toch extra jammer zijn als je dat maar 3 weken doet..

vrijdag 25 juni 2010

ORD2010: Taaltreffers, een serious game om woordenschat te verhogen

Vanmorgen mocht ik op de ORD ons onderzoek naar Taaltreffers presenteren. Taaltreffers is een online serious game met bijbehorende lesbrieven en ondersteunend materiaal, bedoeld om de woordenschat van leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs te verhogen. Het project en het onderzoek rondom Taaltreffers wordt uitgevoerd door FC Twente Stichting Scoren in de Wijk, SOV Concept en Vormgeving, Expertis Onderwijsadviseurs, IJSfontein en wij zijn vanuit de Universiteit Twente betrokken.

De game en de lesbrieven zijn beide ontworpen aan de hand van het viertaktmodel van Verhallen (Verhallen & Verhallen, 1994), waarbij woorden in vier stappen worden aangeboden: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren. Taaltreffers is tot nu toe twee keer ingezet in de groepen 6, 7 en 8. Uit evaluatieonderzoek blijkt dat zowel de leerkrachten als de leerlingen positief zijn over Taaltreffers. Wel ontbreken de kennis en vaardigheden om Taaltreffers optimaal aan te kunnen bieden soms bij de leerkrachten, met name als het gaat om het (taal-)didactische model dat aan Taaltreffers ten grondslag ligt en het gebruik daarvan in de lespraktijk. Leerlingen kunnen zelfstandig met de educatieve game aan de slag en zijn enthousiast. Uit de resultaten blijkt dat de woordenschat van de leerlingen significant is uitgebreid.

Op dit moment zijn we bezig met de opschaling van Taaltreffers: er komen meer woorden in (en meer thema's die niet direct iets met voetbal te maken hebben) en we gaan van 10 scholen naar 50 scholen in de regio Twente en 50 scholen bij vier andere betaald voetbal organisaties. Ook dan doen we weer onderzoek naar implementatieaspecten en leereffecten, maar ook naar bijvoorbeeld ouderbetrokkenheid.

In tegenstelling tot de andere presentaties in dezelfde sessie waarin ik ons onderzoek presenteerde, is Taaltreffers niet (alleen) ontstaan uit een onderzoeksdoel of een vraag vanuit een school, maar uit de maatschappelijke betrokkenheid van FC Twente bij haar supporterswijken. Vanuit die betrokkenheid is onder andere Taaltreffers ontstaan. Ook op dit vlak zijn ze daardoor wat mij betreft landskampioen! :-)

De presentatie over het onderzoek naar Taaltreffers 1 (2007-2009):

Samenwerking met Gent op het gebied van TPACK

De ORD is een mooie gelegenheid om - naast het volgen van presentaties en discussies - met collega's eens verder te praten over onderzoek en mogelijkheden voor verdere samenwerking te bespreken. Vanmorgen spraken we bijvoorbeeld met onze collega's uit Gent over onze samenwerking op het gebied van ict-integratie in de lerarenopleidingen voor basisonderwijs. Het uitvoeren van de literatuurstudie, waar ik gisteren de resultaten van presenteerde tijdens het TPACK symposium, was een eerste stap in onze samenwerking.

Nu we weten wat er aan wetenschappelijke literatuur beschikbaar is gaan we kijken hoe het staat met de huidige situatie op het gebied van ict-integratie in de lerarenopleiding. Op basis van de case study die Jo Tondeur uitgevoerd heeft in Vlaanderen willen wij een vergelijkbaar onderzoek uitvoeren bij een aantal pabo's in Nederland. Op basis van de uitkomsten van de case studies willen we dan kijken hoe we de ict-integratie (verder) kunnen bevorderen. Dit met het idee dat als pabostudenten tijdens hun  opleiding al voldoende in aanraking komen met ict door goede voorbeelden van hun docenten en door het uitvoeren van specfieke opdrachten op bijvoorbeeld de stageschool, zij ook in hun toekomstige loopbaan meer aan ict zullen gaan doen. Vergelijkbaar onderzoek willen we op de basisscholen zelf gaan uitvoeren.

Het is interessant om een dergelijk onderzoek met meerdere partners te doen. Niet alleen om de resultaten met elkaar te vergelijken, maar ook om samen na te denken over de opzet van het onderzoek en de mogelijke rol van TPACK binnen de lerarenopleidingen.

ORD2010: Ons TPACK symposium, website & Kennisnetboekje

Op 24 juni vond het TPACK symposium plaats dat wij (Joke Voogt en ikzelf) tijdens de ORD organiseerden in samenwerking met onze collega's uit Gent, Jo Tondeur en Johan van Braak. Tijdens het symposium presenteerde ik de resultaten van de TPACK literatuurstudie die wij de afgelopen maanden uitgevoerd hebben. Het literatuuronderzoek gaat in op de wetenschappelijke basis van TPACK, voorbeelden van TPACK in de onderwijspraktijk in het po en vo, manieren om (toekomstige) leraren te ondersteunen bij het verwerven van TPACK en manieren om te meten wat het TPACK-niveau is van deze leraren.

De conclusies uit het onderzoek zijn
  • Het wetenschappelijk onderzoek naar TPACK staat nog in de kinderschoenen;
  • TPACK is een veelbelovend model, aansprekend en uitgaand van de professionaliteit en de praktijkkennis van de leraar;
  • In het TPACK model is nog niet voldoende aandacht voor opvattingen van leraren over leren en lesgeven, terwijl we weten dat dit ook bij de intentie om ict te gaan gebruiken van groot belang is;
  • De uitwerking van voorbeelden van ict-integratie binnen specifieke vakgebieden is nog erg kleinschalig en fragmentarisch. TPACK lijkt vooral geschikt voor het voortgezet onderwijs en vakleerkrachten en iets minder voor leraren uit het basisonderwijs, hoewel zij natuurlijk ook altijd met specifieke vakinhouden bezig zijn (maar wel over alle vakgebieden iets moeten weten);
  • Het ontwikkelen van TPACK door leraren kan het beste gebeuren op een actieve manier, in een langer traject (niet via 1 vak of cursus) en op basis van praktijkproblemen. Een van de meest effectieve manieren om TPACK te ontwikkelen is door te werken in docentontwerpteams, waarin je samenwerkt aan een praktijkprobleem en op die manier tegelijkertijd werkt aan onderwijsvernieuwing en professionalisering;
  • Er zijn verschillende instrumenten ontwikkeld om TPACK te meten, maar dit moet nog verder ontwikkeld worden. De belangrijkste instrumenten zullen ook in het Nederlands vertaald worden.

Dit zijn natuurlijk maar wat highlights uit het hele onderzoek.. Maar: het literatuuronderzoek is natuurlijk beschikbaar voor idereen die daarin geinteresseerd is. En een populaire versie van het onderzoek is uitgekomen in de onderzoeksreeks van Kennisnet! Een heel mooie manier om TPACK verder onder het voetlicht te brengen.

Na onze presentatie was de beurt aan Jo Tondeur die de laatste resultaten van de case study over TPACK in de Vlaamse lerarenopleiding presenteerde. Een interessante vergelijking tussen drie verschillende lerarenopleidingen die op verschillende manieren omgaan met ict-integratie in de opleiding. Ik hoop binnenkort wat meer te kunnen schrijven over de details van het onderzoek en de resultaten daarvan. Voor nu is de informatie ook te vinden op http://www.tpacknl.nl/. Na afloop van beide presentaties was het de beurt aan Jan van Driel om als discussiant en expert op het gebied van PCK iets te zeggen over de toegevoegde waarde van de "T" aan PCK. De discussie in de zaal spitste zich vooral toe op de vraag of het inderdaad nodig is om toch weer expliciet aandacht te vragen voor de "T", of dat die "T" niet zo snel mogelijk "weg-geintegreerd" moet worden.

Ik weet zelf niet zeker of we de T wel willen weg-integreren. In de eerste plaats is de T nog steeds zo'n nieuw en vreemd ding voor veel leraren, dat ik bang ben dat met het weglaten van de T de hele ict-implementatie weer stagneert. En ict ontwikkelt zich nog steeds zo snel, dat er aandacht moet blijven voor nieuwe toepassingen en de manier waarop je die toepassingen kan gebruiken in je onderwijs. Ten tweede denk ik zelf dat de boodschap van het TPACK model echt de integratie is van inhoud, didactiek en ict en dat als je gaat nadenken over je onderwijs, je ook direct moet nadenken over de T-kant. En ja, dat moet een geintegreerd onderdeel zijn (worden) van het standaard repertoire van een leraar, maar dat betekent dus ook dat je altijd rekening moet houden met de T-kant. En dat je elke keer kritisch moet kijken wat voor soort ict je gaat gebruiken in je onderwijs (of wanneer je dat niet doet!).

Onze presentatie over de literatuurstudie:

woensdag 23 juni 2010

ORD2010: Vrouwen uit het basisonderwijs zijn positief over ict in het onderwijs!

Marjan Vermeulen van het Ruud de Moor Centrum gaf vanmiddag een presentatie over leraarkenmerken en het gebruik van digitale leermaterialen in het onderwijs. Zij bouwt daarbij voort op het onderzoek van Karel Kreijns waar ik eerder over schreef. Het onderzoek van Marjan gaat in op verschillende achtergrondvariabelen (zoals leeftijd, angst, computerervaring, deelname aan professionale leeractiviteiten) van leraren en brengt dat in verband met verschillende stellingen over houding ten aanzien van ict-gebruik. Uit het onderzoek blijkt dat het geslacht, schooltype (po, vmbo, vo), angst, persoonlijk ondernemerschap en deelname aan professionale leeractiviteiten van invloed is op het gebruik van digitale leermaterialen. Interessant is dat uit de resultaten blijkt dat vrouwen uit het primair onderwijs de meest positieve houding hebben! Verder zijn (uiteraard) mensen zonder angst en met persoonlijk ondernemerschap en deelname aan professionale leeractiviteiten ook positiever over het gebruik van ict.

Tijdens de discussie worden wel vragen gesteld over de stellingen die gebruikt zijn om de houding van leraren te meten. Waarom deze stellingen en geen anderen? Daarnaast worden er vragen gesteld over wie de vragenlijst ingevuld hebben: vullen positief gestemde vrouwen niet sneller een dergelijke vragenlijst in? Dit zijn discussies die vaker gevoerd worden, maar de onderzoekers geven aan dat ze op basis van het aantal respondenten (ruim 1200) en de verdeling van respondenten (man/vrouw en schooltype) zodanig is dat deze conclusies wel gerechtvaardigd zijn. Uit de presentatie blijkt overigens uiteindelijk niet duidelijk of het echt gaat om vrouwen uit het basisonderwijs, of dat vrouwen over het algemeen een positievere houding hebben en dat leraren uit het po positiever zijn dan leraren uit het vo...

ORD2010: Waarom gebruiken leraren Wikiwijs niet?

Vanmiddag was ik bij een presentatie van Karel Kreijns van het Ruud de Moor Centrum die zich afvroeg waarom leraren ict niet of matig inzetten in hun onderwijs. Daarbij ging hij vooral in op de houding van leraren met betrekking tot het gebruik van (open) digitale leermaterialen in het onderwijs en nog specifieker: het gebruik van materiaal uit Wikiwijs.
Op basis van de Theory of Planned Behavior (Fishbein & Ajzen, 1975) hebben Karel en collega's een geintegreerd model voor gedragsvoorspelling ontwikkeld. Binnen dit model wordt een belangrijke relatie aangebracht tussen de intentie om bepaald gedrag te vertonen en het daadwerkelijk vertoonde gedrag. Deze relatie kan beinvloed worden door deskundigheid van een persoon en door omgevingsfactoren (iemand kan wel deskundig genoeg zijn om een digibord te gebruiken, maar als dat bord aan de andere kant van het gebouw hangt is het maar de vraag of je het bord echt gaat gebruiken). De intentie van iemand kan verder bepaald worden door houding, ervaren sociale invloed en eigen effectiviteit.
Het onderzoek van Karel gaat in op in hoeverre houding, ervaren sociale invloed en eigen effectiviteit de intentie om digitaal leermateriaal te gaan gebruiken beinvloeden. Om dit te achterhalen is vragenlijstonderzoek gedaan. Op basis ruim 1200 ingevulde vragenlijsten blijkt dat met name de eigen effectiveit van groot belang is en hoewel in mindere mate ook de houding van leraren. De gepercipieerde kennis en vaardigheden over het gebruik van een ict-toepassing is weer van invloed op de eigen effectiviteit.

Interessant!! In het onderzoek dat ik samen met Chantal Velthuis (Hogeschool Edith Stein) en Bart Ormel (Universiteit Twente) uitgevoerd heb naar redenen waarom leraren weinig aandacht besteden aan het domein techniek in het basisonderwijs komen wij tot vergelijkbare resultaten! Wat Karel eigen effectiviteit noemt wordt in de literatuur "self-efficacy" genoemd en vertalen wij als "gevoel van bekwaamheid", of volgens de definitie van Bandura (1977) als "het vertrouwen dat een individu in zichzelf heeft om bepaalde taken tot een goed einde te brengen ". Dit gevoel van bekwaamheid in combinatie met de zelfingeschatte kennis op het gebied van natuur- en scheikunde, aarde- en ruimtesystemen, technieksystemen en mathematische systemen lijken belangrijke voorspellers te zijn voor het wel of niet verzorgen van techniek in het basisonderwijs. Morgen presenteren wij dit onderzoek op de ORD...

ORD2010: Keynote Christopher Day

De eerste keynote van de ORD werd verzorgd door Christopher Day, Professor of Education and Co-Director of the Teacher and Leadership Research Centre (TLRC).  Zijn presentatie met de titel "The new lives of teachers: research which influences" begint met de opmerking dat er altijd een kloof is geweest tussen theorie en praktijk en tussen onderzoekers en leraren en dat dat nog steeds zo is. Aan de ene kant komt dat doordat je als leraar niet vanzelfsprekend nadenkt over onderzoek doen, maar aan de andere kant zijn onderzoekers heel goed in geisoleerd werken aan eigen onderzoek. Een ander probleem dat Christpher Day aanhaalt is een uitspraak die door David Hargreaves is gedaan: al het geld wat in onderzoek wordt gestopt leidt nog tot te weinig kwaliteitsverbetering en radicale onderwijsinnovatie en de resultaten die er wel zijn worden te weinig gewaardeerd door leraren en beleidsmakers. Dit kan uiteraard wel wat genuanceerd worden, maar de belangrijkste boodschap is dat het beter koppelen van onderzoek aan praktijk nodig is. Dit hoeft niet alleen door evidence-based onderzoek, maar (juist) ook door onderzoek in de praktijk in samenwerking met leraren!

Nadat Christopher Day een aantal redenen heeft aangegeven waar de kloof tussen onderzoek en praktijk vandaan komt (hij noemt ze self-inflicted separations en ze gaan o.a. in op de specifieke onderzoekstaal/jargon van onderzoekers en de eeuwige discussie over welke onderzoeksmethode nu het beste is) worden drie soorten onderzoek genoemd die problemen kunnen oplossen in de onderwijspraktijk:
  • Research into practice settings: the experimental model
    In dit soort onderzoek wordt een experiment bedacht door een onderzoeker, dit wordt in de praktijk gebracht en conclusies worden getrokken (the researcher as solution giver)
  • Design research and development
    De onderzoeker is ook ontwikkelaar, als extern persoon betrokken bij het onderzoek, maar de leraar is de belangrijste betrokkene
  • Participatroy action research
    In dit model doet de onderzoeker mee in de praktijk van de leraar als ondersteuner van het proces en helpt waar mogelijk
Voor alledrie de modellen is iets te zeggen, maar Christopher Day geeft aan dat de laatste twee modellen op dit moment het meest effectief zijn als je echt iets wilt bereiken in het onderwijs en bij de leraren. Het laatste model vereist wel nieuwe onderzoekscompetenties en we worden ervoor gewaarschuwd dat het laatste model niet latijd leidt tot lange termijn oplossingen, maar tot oplossingen die op dit moment passen in een specifieke context.

Maar wat betekent dit nu voor de leraar? Hij/zij moet ook over competenties beschikken om mee te draaien in het onderzoek. Als de leraar zich goed voelt bij het onderzoek, het onderzoek ook echt een probleem uit zijn/haar praktijk oplost en de leraar durft daardoor ook mee te doen zouden er goede stappen gezet kunnen worden.

Christopher Day eindigt zijn presentatie met de vraag waarom mensen onderzoek doen en wat de beste reden is. Er zijn mensen die onderzoek doen omdat het moet, om een baan te hebben en geld te verdienen (research as a job), mensen die onderzoek doen om hogerop te komen (research as a career) en dan vaak met onderzoek stoppen als het beoogde carrierepad bereikt is en mensen die onderzoek doen omdat zij nieuwe kennis willen creeeren, leraren willen ondersteunen en onderwijs willen vernieuwen (research as a vocation).  Uiteraard gaat Christopher's voorkeur uit naar het laatste!

ORD2010: Onderwijs Research Dagen

Van 23 tot en met 25 juni 2010 vinden de Onderwijs Research Dagen (ORD) plaats in Enschede. Tijdens de ORD komt onderwijsonderzoekend Nederland en Vlaanderen bij elkaar om de meest recente bevindingen uit onderzoek met elkaar te delen. De ORD wordt georganiseerd onder auspiciën van de Vereniging voor Onderwijs Research (VOR) en het Vlaams Forum voor Onderwijsonderzoek (VFO).

De ORD werd geopend door Jules Pieters, hoogleraar van onze vakgroep Curriculumontwerp & Onderwijsinnovatie (C&O). Jules lichtte het thema van deze ORD toe, "de lerende leraar als onderzoeker en ontwerper", een thema waar wij in het onderzoek van C&O ook aandacht aan besteden.

Tijdens de ORD zal ik zoveel mogelijk naar sessies gaan over ict in het onderwijs en zal zelf ook een aantal presentaties verzorgen over TPACK (integratie van ict in het onderwijs en in lerarenopleidingen), Taaltreffers (serious game voor woordenschat), en het stimuleren van techniekonderwijs in het basisonderwijs.