Posts tonen met het label ubiquitous. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ubiquitous. Alle posts tonen

dinsdag 30 maart 2010

SITE2010: Invited speaker: Chris Dede

De presentatie "Teaching and assessing 21st century skills" van Chris Dede begint met een overzicht van een aantal belangrijke uitdagingen: shifts in knowledge and skills, development of new methods of teaching and learning en changes in the characteristics of learners. Wat volgt is een filmpje over kinderen met technologie, die je geen les moet geven met bord en krijt. Natuurlijk komt er dan een filmpje met matrix/minority report-achtige tools: schermen waar je op kunt tekenen, dingen kunt verschuiven, met elkaar kan samenwerken aan documenten of foto's, kleine pda's of smart cards met allerlei handige functionaliteiten en informatie over mensen en hun contactgegevens, etc. Heel mooi natuurlijk, ik word daar zelf ook altijd enthousiast van, maar hoe (en vooral wanneer!) kunnen we dit in het onderwijs gaan gebruiken? Ik hoop dat Chris Dede daar antwoord op kan geven. Hij heeft tenslotte al jaren ervaring op het gebied van onderzoek naar ict in het onderwijs en ubiquitous computing.

Chris Dede geeft aan dat elke student voorbereid zou moeten worden om deze nieuwe technologieen te gebruiken. De technologie zelf is (volgens Chris) niet het moeilijke. Wat moeilijk is om mensen erop voor te bereiden om het op een goede manier te gebruiken. Oftewel: ze moeten 21st century skills ontwikkelen. Eigenlijk kunnen web2.0 technologieen al gezien worden als dit soort technologieen: je kan informatie delen (bijv. social bookmarking), je kan informatie verspreiden (bijv. blogs) en er over nadenken en je kunt samen dingen creeeren (bijv. wiki's). Maar hij geeft ook aan dat "new literacies are multiple, multimodel, and multifaceted", oftewel: ze zijn zeer complex! Jenkin's frame for new literacies geeft aan wat het allemaal omvat: play, performance, simulation, appropriation, multitasking, distributed cognition, collective intelligence, judgement, transmedia navigation en networking.

Hoe moet je dit nu voor elkaar krijgen in het onderwijs? Volgens Chris via "collaborative problem resolution via mediated interaction": je moet aan de gang gaan met een moeilijk probleem in een team. Dat probleem moet je eerst vinden, daarna pas oplossen en je moet het probleem samen begrijpen, vanuit meerdere invalshoeken. Dat zou via "situated learning" moeten gebeuren en dat kun je heel goed doen in multi-user virtual environments (MUVE), virtual reality en ubiquitous computing of augmented reality. Chris gaat in op een voorbeeld van een MUVE, waarbij het gaat om "complex causality" van ecosystemen. Een echt meer is omgezet in een virtueel meer en in een game-omgeving gezet. Via een tijdmachine kan het meer bekeken worden in verschillende jaren. Op die manier kan het ecosysteem bestudeerd worden. Daarbij kun je gebruik maken van verschillende meetinstrumenten. Naast echte manieren van meten kun je in een MUVE ook fantasie inbouwen. In dit geval kun je met een duikboot het meer induiken om te kijken wat er onder water gebeurt. Daarnaast kun je een atoom adopteren en elke keer als je in de MUVE komt kun je kijken hoe het met jouw atoom gaat, hoe het atoom beinvloed wordt door omstandigheden, etc.

Maar: hoe meet je nu of kinderen hier iets van leren? Want als je het niet meet is niet bewezen dat het werkt, wordt het niet gezien als iets nuttigs en wordt het heel moeilijk om het te implementeren.. In een aantal onderzoeken worden studenten onderworpen aan een toets nadat ze in bijvoorbeeld een MUVE hebben geleerd. Daarmee kun je wel inhoud testen, maar niet de 21st century skills die je ze ook wilt aanleren. In het onderzoek van Chris Dede is een manier ontwikkeld om ook deze vaardigheden te toetsen: in een MUVE zelf natuurlijk! Binnen de MUVE moeten de studenten 3 taken uitvoeren: probleem identificatie, experimenteren en hypothese opstellen. De studenten krijgen in de omgeving een introductie en gaan aan de slag. Er wordt dan gekeken wat voor soort activiteiten de student uitvoert en studenten kunnen op basis van hun acties adaptief door het systeem geleid worden. Op deze manier kunnen zowel de vaardigheden als de kennis getest worden. Om dit te meten worden hele rijke logfiles gebruikt: waar zijn de studenten geweest in de MUVE, met wie hebben ze gecommuniceerd, wat hebben ze gezegd, wat voor artifacten hebben ze geactiveerd, welke databases hebben ze gebruikt, welke data hebben ze zelf verzameld, welke meetinstrumenten hebben ze gebruikt, welke aantekeningen hebben ze gemaakt.

Dit betekent overigens wel dat de assessment formatief en diagnostisch is, niet summatief, zoals we vaak gewend zijn. Dit geeft meer mogelijkheden om het leren te verbeteren en het zou in de toekomst de summatieve manier van toetsen kunnen vervangen.

Heeft deze presentatie mij nu een antwoord gegeven op de vraag wanneer we meer kunnen doen met ubiquitous-achtige toepassingen? Nee... maar dat zegt eigenlijk al genoeg... Toch loop ik na de presentatie nog even bij hem langs en vraag hem naar een toekomstvoorspelling. Hij vertelt dat hij het in labsettings al voor elkaar heeft, maar voor de "gewone markt"? Dat gaat nog wel een jaar of 10 duren...

woensdag 9 december 2009

OEB2009: Ontwerpprincipes voor leeromgevingen

Tijdens de laatste dag van de Online Educa in Berlijn, tijdens de allerlaatste parallelsessie, mocht ik samen met Ellen van den Berg van de Hogeschool Edith Stein en Wim de Boer van de SLO een zogenaamde "Learnshop" (a mix of expert presentations with small group discussions) verzorgen over ontwerpprincipes voor fysieke leeromgevingen met een virtuele component. Deze Learnshop kwam voort uit een project dat ik samen met de SLO en de Hogeschool Edith Stein uitvoer over studielandschappen en leeromgevingen. Het afgelopen jaar hebben we een aantal scholen voor po, vo en ho bezocht en hebben gekeken hoe deze ingericht zijn. Daarbij was met name aandacht voor de inrichting van studielandschappen of ruimtes die waren ingericht met een specifiek (leer)doel.

Tijdens de Learnshop gaven we een introductie over ons werk tot nu toe en presenteerden we een aantal "issues" die naar voren kwamen tijdens onze bezoeken aan de scholen. Een voorbeeld daarvan is de verwarring over het begrip "transparantie". Een school voor voortgezet onderwijs heeft door een architect een prachtig gebouw laten ontwerpen. Het gebouw voldoet aan allerlei kenmerken van transparantie, met name daar waar het gaat om zichtbare transparantie: veel muren zijn van glas, je kan overal in- en doorkijken, het gebouw is licht en heeft een open sfeer. Alhoewel dit er heel mooi uitziet (en de architect hier ook prijzen voor heeft gewonnen), blijkt deze transparantie in de praktijk niet werkbaar te zijn. Want naar binnen kijken in een klas betekent dat je precies kan zien wat de docent doet en die voelt zich daardoor niet altijd even "veilig". En van de ene klas naar de andere klas kijken om te zien wat je medeleerlingen aan het doen zijn is in het begin natuurlijk erg leuk, maar de leerlingen geven zelf aan dat het ook wel erg afleidend is. Maar wat waren de oorspronkelijke ideeen over transparantie toen de school nadacht over hun gebouw en hun onderwijs? Ging transparantie wellicht over de duidelijkhied van waar een bepaalde ruimte voor gebruikt zou moeten/kunnen worden? Dat is slechts gelukt op 1 locatie in het gebouw: de studio's om muziek te maken. Doordat dat geluidsdichte ruimtes zijn waar muziekinstrumenten staan is het voor iedereen duidelijk hoe deze ruimte gebruikt moet worden.. In het kader van deze casus zijn wij in het project bijvoorbeeld aan de slag gegaan met "functionele transparantie"en hoe je dit voor elkaar kan krijgen.

Een manier om na te denken over dit soort aspecten en hoe dit kan doorwerken op het ontwerp van de fysieke en virtuele leeromgeving is het werken met behulp van ontwerpprincipes. Een ontwerpprincipe heeft de volgende structuur (van den Akker, 1999): “Als je interventie X wilt ontwerpen voor doel/functie Y in context Z, dan wordt aanbevolen om de interventie de karakteristieken A, B en C te geven en dat te doen via procedure K, L en M, vanwege de argumenten P, Q en R”. In het eerste deel is het middel-doel denken van ontwerpen duidelijk te herkennen, in het tweede gedeelte speelt het onderbouwen van dit denken vanuit theoretische achtergronden een wezenlijke rol. Vanwege de expliciete theoretische onderbouwing van het ontwerp kan deze onderbouwing bij de uitvoering ervan ook getoetst worden.

Nu is het niet eenvoudig om even snel aan de gang te gaan met ontwerpprincipes. Toch wilden we de deelnemers aan onze Learnshop aan de slag laten gaan om op deze manier na te denken over de inrichting van een leeromgeving, waarin zowel fysieke als virtuele aspecten een rol kunnen spelen. We hebben daarom de formule voor een ontwerpprincipe vereenvoudigd tot een "als-dan-omdat-je". Als je een leeromgeving wilt ontwerpen met als doel .... dan moet je ervoor zorgen dat.... omdat.....

Het bezig zijn met de als-dan-omdatjes leverde een actieve Learnshop op. In kleine groepjes werd druk gediscussieerd over zowel het formuleren van de als-dan-omdatjes als over het nut en gebruik er van. Het leverde ons een aantal nieuwe interessante opntwerpprincipes op, maar ook het verdere besef dat het discussieren over de inhoud van de ontwerpprincipes minstens zo belangrijk is als het uiteindelijk hebben van de principes.

maandag 28 september 2009

Een ubiquitous-postduif?

Op blog.waag.org lees ik een interessant/leuk bericht over postduiven met een rfid-chip. Deze postduiven die een rfid-chip in hun duivenring hebben, verspreiden binnenkort liefdesboodschappen in Amsterdam. Volgens de weblog: "Onder de titel 'I dove you' worden de boodschappen doorgegeven aan de geliefden, zodra de duiven zijn geland. Op de website is te zien waar deze zich bevinden. Honderd duiven in Amsterdam nemen deel aan het project, dat is bedacht door kunstenaars Sylvain Vriens en Teun Castelein. De boodschappen kunnen worden opgegeven via de website."

100 duiven doen mee.. weten ze dat ook? :-) Ik vind het in ieder geval een leuk idee! Misschien kunnen we in Twente de duiven ook zover krijgen?