dinsdag 8 maart 2011

SITE2011: 21st Century Skills (deel 3)

Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.

Een verslag van de derde presentatie:

Niki geeft de derde presentatie. De titel is "leadership for online learning within & across secondary schools". Niki doet onderzoek in Nieuw Zeeland, Christchurch (ja, daar was de aardbeving) en een collega van haar heeft een artikel geschreven over het gebruik en het belang van sociale media na zoiets verschrikkelijks als een aardbeving. Daarover later hopelijk meer, want dat is een interessant verhaal geworden.

Niki vertelt op dit moment over haar onderzoek naar e-learning en blended learning. Dit fenomeen is nog steeds groeiende over de hele wereld, maar er is nog genoeg werk te doen om docenten daar goed voor toe te rusten. In Nieuw Zeeland zijn verschillende clusters te onderscheiden waar e-learning en blended learning plaatsvinden. Waar Niki op wijst is dat je niet zomaar aan blended learning kan gaan doen. Je kan niet van een goede docent eventjes een web-based docent maken. De aanpak in Nieuw Zeeland: een 21st century approach to e-learning. Belangrijk daarbij is dat je als docent weet wanneer je wel en niet ict moet gebruiken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 3 verschillende docenten:
  1. de e-teacher, de docent die alles online doet
  2. de m-teacher, de docent die een blended learning aanpak heeft
  3. de d-teacher: een "design teacher", een docent die materiaal en vakken ontwikkeld die geschikt zijn voor e-learning
Naast het werk van de docenten is leiderschap van belang. Ook daar onderscheidt Niki 3 verschillende soorten mensen:
  1. de traditionele "principal", de manager, verantwoordelijk voor leiderschap en management van de school
  2. de "e-principal" een mentor binnen de school die docenten begeleid op het vlak van (vak)didactisch ict-gebruik, een makelaar is tussen de docenten, maar ook tussen scholen om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren
  3. een "national facilitator", iemand die in een regio (en daarbuiten), informatie kan uitwisselen en invloed kan uitoefenen op beleid, waarbij expliciet aandacht moet zijn voor professional development
De rol van de leiders is dat ze gericht moeten zijn op de lerende en zijn/haar behoefte en op het ondersteunen van de leraren om die studenten te kunnen ondersteunen. Dat betekent ook dat de leiders moeten weten hoe het zit met change management. En: docenten moeten zelf leiders worden. En daar is professional development voor nodig.

SITE2011: 21st Century Skills (deel 2)

Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis.
Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology
enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden.

Een verslag van de tweede presentatie:

Margaret geeft de tweede presentatie en zij vertelt over het project hapTEL in de tandartsenopleiding. "Hap" is onderdeel van "haptics", de "sense of touch" (tastzin). Het hapTEL project had als doel om een haptisch hulmiddel te ontwerpen, ontwikkelen en evalueren dat gebruik kan worden in het curriculum van de tandartsenopleiding.

Studenten in de tandartsenopleiding moeten heel specifieke vaardigheden leren, zoals hand-oog-coordinatie. Als ze in onze tanden boren willen we wel dat ze dat goed doen en heel voorzichtig zijn.. Maar hoe oefen je daarop? Uiteindelijk op echte mensen natuurlijk (maar wie wil proefkonijn zijn? ik niet..), maar in dit project wordt er eerst geoefend met behulp van technologie. Het "haptic device" is te zien op de website van hapTEL. En het is dus niet alleen een computer of een scherm! Je zit op een echte stoel, met je witte jas en je bril en je voelt wat je doet (het instrument geeft voelbare feedback als je duwt, boort, etc.).

Het voordeel van het gebruik van de technologie is dat je vaker kan oefenen dan normaal (en dat het niet zo erg is als je fouten maakt met boren...), dat het voor de opleiders makkelijk wordt om te kijken hoe de studenten het doen, dus studenten durfden meer, waardoor ze eerder dingen onder de knie hadden. Maar.. doordat er meer geoefend werd waren er ook meer tanden nodig :-) dus er werden ook plastic tanden gemaakt (25 dollar per stuk). Op die manier kan je ook vergelijkbare tanden aan studenten geven, zodat ze op hetzelfde probleem kunnen oefenen. Doordat alles digitaal is kun je ook (samen met je docent) terugkijken op wat je gedaan hebt en of dat goed gegaan is. De resultaten? Studenten vinden het een goed hulpmiddel, werken er graag mee, kunnen zichzelf beter beoordelen en hun uiteindelijke resultaten zijn verbeterd.

Ik ben niet dol op de tandarts (en ondanks de mooie resultaten is dat niet beter geworden helaas), maar ik zou eigenlijk zelf wel eens zo'n virtuele boor in m'n handen willen houden..

SITE2011: 21st Century Skills (deel 1)

Na de keynote is het de beurt aan Joke Voogt, Mary Webb, Margaret Cox en Niki Davis. Zij geven presentaties rondom "Twenty first century pedagogy for technology enhanced learning", waarna een paneldiscussie zal plaatsvinden. Dit werk is ook onderdeel van het werk van de IFIP Working group 3.3, waar we voorafgaand aan de SITE conferentie een workshop van hadden.

Een verslag van de eerste presentatie:

Mary Webb geeft de eerste presentatie. Haar onderzoek gaat over de vragen: What is the nature of feedback in pedagogical practices? What are the challenges for beginning teachers in developing their use of peer feedback intheir pedagogical practices? How can technology mediated feedback support and enable students' leanring and understanding?

Zij gebruikt bij haar werk de "aspects of formative assessment" van Black en Wiliam uit 2009, waarbij ze focust op de onderdelen "activitating students as instructional resources for one another" en "activitating students as the owners of their own learning". Daarbij is zelfregulatie van het eigen leren een belangrijk aspect. Belangrijk is dat het hier gaat om formatieve assessment en niet om summatieve assessment (dus niet "voldoende of onvoldoende", maar gericht op hoe het beter kan).

Uit de presentatie blijkt dat leraren in opleiding het niet altijd makkelijk vinden om dit in de praktijk te doen. Hoewel zij bijvoorbeeld peer feedback als interessante optie zien om formatieve assessment vorm te geven, geven de leraren aan dat zij daar zelf als student erg weinig ervaring mee hebben, dat informeel praten over het onderwijs veel nuttige dingen oplevert, maar op het moment dat ze echt peer feedback moeten geven als onderdeel van de studie ze liever feedback hebben van een docent omdat dat in hun ogen meer zou opleveren. Peer feedback wordt wel gezien als nuttig om ervaringen te delen. Het gebruik van technologie hierbij leverde vergelijkbare resultaten op. Bijna iedereen vond het een goed idee om ict te gebruiken (skype, msn, een elo-achtige omgeving), maar maar 56% van de leraren in opleiding dacht dat ze er echt iets van zouden leren.

In de lerarenopleiding moet dus eerst meer aandacht komen voor a) formatieve assesment en b) het gebruik van peer feedback bij formatieve assessment. Meer samenwerking tussen studenten en een duidelijke structurering van de discussies door een docent lijken van belang te zijn daarbij. Daarnaast zou het gebruik van technologie ook een belangrijk onderwerp moeten zijn dat in de lerarenopleidingen niet alleen beter besproken moet worden, maar ook meer gebruikt zou moeten worden door de lerarenopleiders. Studenten hebben een goed rolmodel nodig!

SITE2011: Keynote Young Zhao

We beginnen de eerste ochtend dan echt met een keynote van Young Zhao, voorheen van Michigan State University, nu "Presidential Chair of Global Education and Online Learning, University of Oregon, USA". De titel van Young's presentatie is "Students as Global Entrepreneurs: Why, What, and How".

Young begint met een filmpje van de Onion News Network (de naam zou je al moeten waarschuwen) waarin een onderzoek gepresenteerd wordt waaruit blijkt dat kinderen geen interesse hebben in healthcare.. oftewel: ze willen niet naar de dokter, niet naar het ziekenhuis, wel een lolly en snel naar huis. Daarna stelt Young de vraag of kinderen ook zo zou denken over naar school gaan...

Hij geeft daarna wat voorbeelden van uitkomsten van de TIMSS en PISA studies. Waar hij op inzoomt is het feit dat je vanuit die studies de sore af kunt zetten tegen het vertrouwen. Als voorbeeld geeft hij bijvoorbeeld aan dat de kinderen in Singapore zeer goed scoorden bij wiskunde en zich daar ook bekwaam in voelen. De score van kinderen uit de VS was anders: zij scoorden slecht op wiskunden, maar voelden zich toch zeer bekwaam. Aan de andere kant blijkt ook dat kinderen uit landen als China weinig creativiteit hebben en kunnen laten zien, terwijl dat in westerse landen weer hoger ligt. Ligt dit aan het soort onderwijs dat er verzorgd wordt? En hoe zit het eigenlijk met de verschillen? En zijn die verschillen nog steeds als een tijdje geleden?

Om dit toe te lichten vertelt hij over de film Two Million Minutes. Deze film "vividly reveals that America students are no longer "at risk" of falling behind - they are now clearly behind even Third World students in India and China. The film demonstrates that the typical studen in the US spends much less time on his/her education and gives less thought to future carreer opportunities that his/her global peers in India and China. Ik moet de film nog in z'n geheel bekijken, maar ben nu al benieuwd.

Daarna houdt Young een vurig pleidooi om niet meer alleen naar cijfers van kinderen te kijken, waarna hij terugkomt op de TIMSS en PISA scores en zegt dat de Amerikanen "a long history of bad test-takers" (altijd slechte(re) scores) hebben en toch scoort Amerika hoog op allerlei andere punten, waaronder het aantal patenten, ondernemingen en kennisontwikkeling. Wat hij daaruiteindelijk volgens mij mee wil zeggen is dat je niet alleen naar testscores moet kijken, maar dat er andere indicatoren zijn waar je op kan beoordelen. En welke dingen maken uit volgens hem? Diversity of talents, creativity, entrepeneurship en passion. En dat zijn de dingen die we in het onderwijs zouden moeten bevorderen. Hoe?
  • value individual talents
  • inspire passion and responsibility
  • tolerate deviaton
  • cultivate entrepeneurship
  • respect individual differences
  • have faith in every child
  • give second, third, fourth chances
En.. talenten van individuele kinderen/mensen zouden gecombineerd moeten worden om uiteindelijk grote stappen vooruit te maken. Daarbij moeten we dus kijken naar de sterke kanten van onze leerlingen/studenten en die verder ontwikkelen!

[foto's volgen..]

SITE2011: De conferentie is begonnen!

Vandaag begint SITE 2011 dan echt. Na twee intensieven workshopdagen met de IFIP ict-onderwijs-onderzoeksgroep is het nu tijd om een paar uur te luisteren naar een aantal presentaties. We beginnen meteen goed op z'n Amerikaans: we worden welkom geheten en zeggen gezellig met z'n allen "good morning!" :-).

Na wat huishoudelijke mededelingen worden we welkom geheten door Gerald Knezek, president van SITE. Zoals altijd (haha, ik ben hier pas voor de 2e keer) roept hij ons op om op te staan en jezelf voor te stellen aan iemand in de buurt die je nog niet kent. Vreemd? Ach, eigenlijk wel leuk. En passend bij deze conferentie waar veel mensen elkaar al kennen en waar er voor gezorgd wordt dat je je als nieuwkomer welkom voelt. Gerald stelt Punya Mishra voor die dit jaar co-chair is van SITE (en waar we gisteren al even mee konden bijpraten..). Punya stelt zichzelf op zijn eigen manier voor met mooie slides, waarin hij zichzelf bijvoorbeeld voorstelt als chair door een stoel te laten zien.. Na al deze algemene welkomstpraatjes begint de conferentie echt!

[foto's volgen...]

zondag 6 maart 2011

SITE2011: Onderzoek Taaltreffers gepresenteerd

Voor de SITE conferentie echt begint ben ik aanwezig bij een workshop van een van de werkgroepen van IFIP (zie link voor meer informatie over het onderwijs-gedeelte van IFIP). Een kleine groep van onderzoekers op het gebied van ICT in het onderwijs zit hier bij elkaar, waaronder Niki Davis, David Gibson en Gerald Knezek. Een voorrecht om hier ons onderzoek naar Taaltreffers te presenteren!

Taaltreffers een educatieve online taalgame met bijbehorende lesbrieven en ondersteunend materiaal, bedoeld om de woordenschat van leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs te verhogen. Uit ons onderzoek blijkt dat woordenschat van de leerlingen significant is uitgebreid (zie ook mijn eerdere bericht hierover).

Ook bij deze bijeenkomst presenteerde ik de resultaten, maar ging ook in op het feit dat de game en de lesbrieven beide ontworpen zijn aan de hand van het viertaktmodel van Verhallen (Verhallen & Verhallen, 1994), waarbij woorden in vier stappen worden aangeboden: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren. Voorbewerken en semantiseren (betekenis geven aan woorden) gebeurt in de klas door de leerkracht die daarbij ondersteund wordt door lesbrieven. Het consolideren/oefenen en controleren/testen gebeurt in de game. Wat bleek na afloop van een eerste pilot met de game is dat de leerkrachten niet allemaal voldoende op de hoogte zijn van het model van Verhallen en.. dat het daardoor wellicht aantrekkelijk is om de eerste twee fases van het model over te slaan en de kinderen gewoon meteen achter de computer te zetten. En is dat erg? De woordenschat is toch vergroot? Nou.. misschien is het leereffect nog wel veel hoger als je die twee eerste fases wel uitvoert!

De reden waarom ik dit hier nu beschrijf is omdat ons uitgangspunt altijd is geweest dat de leerkracht een belangrijke rol heeft in het woordenschatonderwijs, zeker als we het hebben over leerlingen die echt een achterstand hebben. Toch werd er door een aantal onderzoekers hier opgemerkt dat het misschien toch interessant is om te kijken of je de eerste 2 fases van Verhallen toch niet ook in de game kunt inbouwen. Daarmee maak je je minder afhankelijk van de leerkrachten. Het streven om de leerkracht hier een sterke rol in te geven is goed, en ze een betere training te geven op dit gebied voordat ze met de game gaan werken is ook goed, maar omdat we weten dat het niet altijd zo uitpakt als je van te voren wilt moeten we misschien toch kijken naar de mogelijkheden binnen de game.

Misschien is het lastig om je hier iets bij voor te stellen als je de game niet kent of gespeeld hebt, maar mijn vraag is of je inderdaad de twee fases van voorbewerken en semantiseren (twee heel belangrijke fases!) in een game kan inbouwen. Als ik de voorbeelden die hier gegeven worden zo beluister kan het wel. Maar willen we dat ook?

SITE2011: De voorbereidingen

Het regent in Nashville.. Jammer, maar het komt eigenlijk ook wel goed uit. Geen verleiding om de omgeving te gaan bekijken, maar druk aan het werk om mijn presentaties (verder) voor te bereiden. Bij alledrie de presentaties komen eigenlijk dezelfde 2 vragen naar voren: wat moeten leraren doen, hebben en kunnen om ict in het onderwijs te gaan gebruiken en wat kunnen wij als onderzoekers of ondersteuners doen om de leraren daarbij te helpen? En natuurlijk moeten we eerst op de eerste vraag een goed antwoord hebben om een antwoord te kunnen geven op de tweede vraag.

Maar wat moeten leraren doen, hebben en/of kunnen om ict in het onderwijs te gaan gebruiken? Elke keer denken we het antwoord te hebben, maar aan de andere kant zijn we eigenlijk nog steeds niet tevreden over de mate waarin er ict in het onderwijs gebruikt wordt. Echt gebruikt wordt, geintegreerd in de dagelijkse praktijk.

Het is te makkelijk om te zeggen dat alle leraren TPACK moeten hebben en dat het dan wel goed komt. Ja, leraren moeten iets weten over de inhoud van het vak, over de didactische aanpak die ze kunnen kiezen en over de manier waarop ict het geheel kan ondersteunen en ze moeten ook iets weten over de onderlinge samenhang tussen inhoud, didactiek en ict. Maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet. Iets weten betekent nog niet dat je het gaat doen.

Maar waar zit het 'm dan wel in? In houding/attitude ten aanzien van ict in het onderwijs? Misschien wel. Als je ict interessant of leuk vindt zul je eerder geneigd zijn om er iets mee te doen. Maar ik denk dat alleen een positieve houding ook niet genoeg is. Wellicht geven Gerald Knezek en Rhonda Christensen een (deel van het) antwoord met hun WST model. WST staat voor Will Skill Tool: de wil om ict te gebruiken, de vaardigheid om ict te gebruiken en de toegang tot  of beschikbaar heid van ict hulpmiddelen. Deze 3 factoren bepalen volgens hen de kans dat ict geïntegreerd gebruikt gaat worden in het onderwijs. Ook zij combineren dus houding en kennis/vaardigheden en geven daarbij aan dat een leraar natuurlijk ook wel over de juiste ict moet beschikken.

En dan denk ik dat er nog een ingredient toegevoegd moet worden.. het vertrouwen dat je het ook echt in de praktijk kan toepassen. Wij noemen dat sinds een jaar of twee het "gevoel van bekwaamheid". In het Engels gebruiken ze daar de mooie term "self-efficacy" voor, een term die ooit door Albert Bandura (1977) omschreven werd als het vertrouwen dat een individu in zichzelf heeft om bepaalde taken tot een goed einde te brengen. Hoe hoger het gevoel van self-efficacy, hoe groter de motivatie om iets te gaan doen. Ook self-efficacy heeft dus te maken met houding, kennis en vaardigheden, maar ook met hoe je over jezelf denkt.

Uit onderzoek is ondertussen wel bekend hoe je de self-efficacy van iemand kan verhogen: door het opdoen van succeservaringen, het stimuleren van mensen door ze goede voorbeelden te geven, het beginnen met werken aan deelvaardigheden en dit via oefenen uitbouwen tot een complexer geheel om tot slot het geleerde in de praktijk te brengen. En daarbij moet aandacht besteed worden aan het ontwikkelen van een positieve attitude en het gepercipieerde kennisniveau. Dus toch weer de combinatie houding-kennis. En veel oefenen in de praktijk. Is dat dan het antwoord? Oefenen en ervaring opdoen? Ja, ik denk het wel. Maar... hoe krijg je mensen aan het oefenen? ...

vrijdag 4 maart 2011

SITE2011: Op weg

Het is 4 maart en ik ben net gearriveerd in Nashville waar dit jaar de jaarlijkse SITE Conferentie plaatsvindt. Vorig jaar was er ook naar deze conferentie en toen heb ik over verschillende presentaties waar ik aanwezig was een bericht op deze blog geplaatst. Dat zal ik dit jaar ook doen, maar omdat de meeste presentaties waar ik naar toe ga over TPACK zullen gaan, zullen de blogberichten met name op mijn TPACK Weblog te vinden zijn.

Voorafgaand aan de SITE Conferentie vindt een IFIP workshop plaats. Zondag aanstaande zal ik daar samen met mijn collega Joke Voogt een presentatie verzorgen over de resultaten tot nu toe van het project Taaltreffers, waarbij we proberen om de woordenschat van leerlingen van groep 6, 7 en 8 te vergroten door middel van een game met aanvullende lesmaterialen voor de leerkrachten.

Tijdens de SITE Conferentie zelf mag ik twee presentaties verzorgen. Een namens Joke Voogt, Bart Ormel, Chantal Velthuis (Hogeschool Edith Stein), Jo Tondeur (Universiteit Gent) en mezelf over het (vragenlijst)onderzoek onder pabostudenten naar ict-gebruik bij natuur en techniek in het basisonderwijs. Daarover later dus meer. Ook zal ik namens Ghaida Alayyar, een van onze PhD studenten, een presentatie geven over haar TPACK-onderzoek in Koeweit.

Genoeg te doen dus en als ik het programma zo bekijk kan ik een hele week van 's morgens vroeg tot 's avonds laat wel terecht hier.. Ik zal proberen om via deze weblog en de TPACK weblog verslag te leggen.

vrijdag 18 februari 2011

Ontwerp en ontwikkeling van onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen

Op 17 februari studeerde Yanieke Paalman af voor haar masteropleiding Curriculum Instruction and Media Applications aan de UT. Samen met Susan McKenney mocht ik haar begeleiden. Yanieke's scriptie is getiteld "Een intelligent ontwerp. De ontwikkeling van het vak Life & Science voor hoogbegaafde leerlingen van het Bonhoeffer College". Het is een heel mooi voorbeeld van wat studenten van onze masteropleiding doen tijdens hun afstudeertraject. Daarom plak ik hieronder de samenvatting van haar scriptie. Geinteresseerden voor het hele stuk kunnen contact met me opnemen!

Context van het onderzoek
Het Bonhoeffer College - locatie Van der Waalslaan is een van de 22 scholen in Nederland die het certificaat ‘Begaafdheidsprofielschool’ ontvingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het ontvangen van het certificaat betekent dat de school in staat is om maatwerk aan te bieden voor (hoog)begaafde leerlingen (De Boer, 2010). Het Bonhoeffer College biedt sinds schooljaar 2003-2004 extra stof aan voor hoogbegaafde en talentvolle leerlingen in een zogenaamde VwoPlus-klas. Op het Bonhoeffer College bleek dat er in de Plusklas behoefte is aan een breder en meer verdiepend aanbod in bètavakken, taal en in onderzoeks- en studievaardigheden. In 2010 daarom een voorstel voor aanpassing van het curriculum van de VwoPlus-klas gedaan (Bonhoeffer College, 2010). Voorgesteld werd om twee nieuwe vakken toe te voegen aan het curriculum voor de Plusklas, namelijk Life & Science en Spaans.

Doel van het onderzoek
Het doel van dit ontwerponderzoek is het ontwikkelen van het vak Life & Science. Onderzocht wordt welke principes ten grondslag liggen aan het curriculum van Life & Science. Zo wordt gekeken naar de eigenschappen en behoeften van hoogbegaafde leerlingen en wordt er onderzocht welke doelen, benadering en leeractiviteiten geschikt zijn voor bètaonderwijs aan hoogbegaafde leerlingen. Deze scriptie beschrijft dit onderzoek en de hierop volgende ontwikkeling van het curriculum voor het vak Life & Science. Dit ontwerponderzoek is ontstaan vanuit de samenwerking van het Bonhoeffer College met de Universiteit Twente en gestart vanuit de gedachte dat de Universiteit Twente een bijdrage zou kunnen leveren aan het opzetten en uitvoeren van een vak voor hoogbegaafde leerlingen uit de onderbouw van het Bonhoeffer College.

De volgende onderzoeksvraag stond centraal:
Hoe moet het curriculum voor leerjaar 1, 2 en 3 van het vak Life & Science voor VwoPlus-leerlingen van het Bonhoeffer College er uit komen te zien?

De opbrengst van dit onderzoek is tweeledig: enerzijds levert het een ontwerp op van het vak Life & Science, welke praktisch bruikbaar is en geïmplementeerd kan worden op het Bonhoeffer College. Anderzijds draagt dit onderzoek bij aan de kennis over het ontwikkelen van dergelijke interventies. Dit leidt tot een set van ontwerprichtlijnen voor het ontwerpen van bètaonderwijs aan hoogbegaafde leerlingen uit de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Deze ontwerprichtlijnen zijn gebaseerd op zowel theorie als op empirische toetsing en ervaringen vanuit de praktijk.

Onderzoeksaanpak
Voor dit onderzoek is een aanpak gekozen die beschreven is als Educational design research (onderwijskundig ontwerp onderzoek). Dit onderzoek beslaat de analysefase, ontwerpfase en een fase van empirische toetsing van verschillende prototypes van het ontwerp. De analysefase, waarin zowel literatuur als de praktijk worden geanalyseerd, leidt tot een set van ontwerpprincipes die de basis vormen voor het ontwerpen. De volgende fase is het iteratieve proces van ontwerp, evaluatie en herontwerp van prototypes. Tijdens het iteratieve proces van ontwerp, evaluatie en herontwerp zijn er drie versies van het curriculumontwerp geschreven. De eerste versie is gebaseerd op de set ontwerpprincipes en de toetsing hiervan in de praktijk. Dit ontwerp is vervolgens geëvalueerd met experts van SLO en een docent levensbeschouwing. Op basis van deze evaluatieronde is de tweede versie van het ontwerp geschreven, deze versie is vervolgens geëvalueerd met de toekomstige gebruikers van het ontwerp, namelijk de betrokkenen vanuit het Bonhoeffer College en de Universiteit Twente. Op basis van deze evaluatieronde is het derde en uiteindelijke curriculumontwerp geschreven. Deze prototyping fase heeft een empirisch karakter, de interventies worden niet geïmplementeerd in de praktijk. Deze stap valt buiten de tijdsspanne van dit onderzoek.

Resultaten
Tijdens het proces van ontwerpen, evalueren en herontwerpen is nauw samengewerkt met experts en de toekomstige gebruikers van het curriculum om een zo optimaal mogelijk ontwerp op te leveren dat zowel wetenschappelijk verantwoord als praktisch bruikbaar is. Dit heeft een curriculumontwerp opgeleverd dat tweeledig is, namelijk een globaal ontwerp en een uitwerking van leerjaar 1.

Het globale curriculumontwerp legt een basis voor het vak Life & Science voor de gehele drie leerjaren van het vak. Hierin wordt de rationale beschreven, worden doelen weergegeven en worden vaardigheden uitgewerkt tot een leerlijn voor het vak. Als einddoelen van het vak staan acht vaardigheden centraal, namelijk onderzoeken, ontwerpen, samenwerken, reflecteren, verdiepen, taalvaardigheden, reken- en wiskundevaardigheden en informatievaardigheden.

Met deze globale leerlijn als basis, kan voor elk leerjaar een specifiek en passend curriculumontwerp worden uitgewerkt. In deze scriptie is dit gedaan voor leerjaar 1, waarvoor een didactisch model is ontwikkeld. In leerjaar 1 staan de vaardigheden ontwerpen en samenwerken centraal. Naast dit ontwerp, zijn er ontwerprichtlijnen opgesteld voor het ontwikkelen van bètaonderwijs aan hoogbegaafde leerlingen. Deze ontwerpprincipes zijn gebaseerd op de theorie en op empirische bevindingen. Deze richtlijnen zijn zowel procedureel als inhoudelijk van aard en dragen bij aan de kennis over het ontwerpen van dergelijke interventies. Tot slot worden er aanbevelingen gegeven voor implementatie van het ontwerp en de ontwikkeling van leerjaar 2 en leerjaar 3.

donderdag 17 februari 2011

De iPad "at its best"...

Sinds afgelopen vrijdag heb ik 'm.. de iPad.. Een iPhone heb ik nooit gewild, ik ben zeer tevreden met mijn htc en al dat "iGedoe" hoefde voor mij niet. Maar die iPad.. dat is toch wel iets anders. Maar omdat ik altijd tegen de iDingen was heb ik nog niet tegen heel veel mensen gezegd dat ik 'm nu toch heb. Vanmorgen zag ik echter het berichtje van Wilfred Rubens die verwees naar de "7 Things You Should Know About iPad Apps for Learning". Ik heb die 7 dingen eens doorgenomen en was eerlijk gezegd een beetje teleurgesteld in dit stuk van Educause.

Onder het kopje "Why is it significant?" staat "the iPad combines robust computational functionality with a screen large enough to serve as a legitimate replacement for printed textbooks and other course materials, with the added benefi ts of interactivity. Dat klinkt veelbelovend. Maar wat staat er bij "What are the implications for teaching and learning?" over de apps: at their best, these applications that live in the spaces where education and entertainment overlap can capture the imagination, enticing students to learn on their own.

At their best?? Volgens mij is dat juist de kracht van de iPad! En ik hoef alleen maar te kijken wat er bij mij thuis gebeurt.. Want wie mag er op de iPad? Krijg ik de tijd om alles te ontdekken, spelletjes te spelen en te kijken of we zoiets in het onderwijs kunnen gebruiken? Of wil mijn dochter van 5 woordjes leren, tekeningen in spiegelbeeld maken of memory spelen? Of willen mijn zoontjes van 2 en bijna 4 leren over dierennamen en -geluiden of over vervoermiddelen? Ja, zelfs mijn 2-jarige kan de iPad bedienen.. geweldig toch?!? Als dat "at its best" is dan ben ik heel benieuwd naar verdere ontwikkelingen!